Archief categorie Baarmoederhalskanker

Onderzoek naar thuistest baarmoederhalskanker

13 September 2011

baarmoederDe afdeling Gynaecologische Oncologie van het UMC St Radboud start op 19 september een onderzoek naar een thuistest voor baarmoederhalskanker. 34.000 vrouwen die in 2008 werden opgeroepen voor een uitstrijkje maar daar toen geen gebruik van hebben gemaakt, worden voor dit onderzoek uitgenodigd. Het onderzoek vindt plaats op advies van de Gezondheidsraad en is goedgekeurd door het ministerie van VWS.

Elk jaar krijgen 700 vrouwen in Nederland baarmoederhalskanker en jaarlijks overlijden 200 tot 250 vrouwen aan de ziekte. Dat aantal is relatief laag, mede dankzij het bestaande bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker waarin vrouwen eens in de vijf jaar een uitstrijkje laten maken. Toch doen bij elke oproep ongeveer 250.000 vrouwen niet mee aan de screening. Juist in deze groep vrouwen ontstaat uiteindelijk meer dan de helft van alle baarmoederhalskanker.

Regio Oost
Vandaar dat de Gezondheidsraad de minister van VWS adviseerde om te onderzoeken of een thuistest het aantal deelnemers aan de screening kan vergroten. De minister nam het advies over en in september start nu een onderzoek met de thuistest in de regio Midden-West en de regio Oost. In de regio Oost krijgen ongeveer 12.000 vrouwen de mogelijkheid om aan het onderzoek mee te doen.

Gynaecologisch oncoloog Ruud Bekkers, projectleider van het onderzoek: “De thuistest is uitsluitend bestemd voor vrouwen die in 2008 werden opgeroepen, maar toen – om welke reden ook – niet hebben gereageerd. De test vervangt het gebruikelijke uitstrijkje niet, maar komt als extra toevoeging. We zijn benieuwd wat het onderzoek uiteindelijk gaat opleveren.”

Screening op het virus
In tegenstelling tot het uitstrijkje – waarbij naar afwijkende cellen in de baarmoederhals wordt gezocht – richt de thuistest zich op de veroorzakers van die afwijkingen. Remko Bosgraaf, arts-onderzoeker die vanuit het UMC St Radboud het onderzoek uitvoert: “De thuistest kijkt naar de aanwezigheid van het humaan papillomavirus, kortweg HPV. Of nog beter: de test speurt naar enkele speciale hoog risico HPV-types die baarmoederhalskanker kunnen veroorzaken. In de regel ruimt het afweersysteem van de mens het HPV op, maar soms ontsnapt het virus hieraan en kan dan veel langer in het lichaam aanwezig blijven. In een aantal gevallen leidt dit tot een voorloperstadium van baarmoederhalskanker. Omdat het tien tot vijftien jaar duurt voordat zo’n infectie tot baarmoederhalskanker leidt, is de screening behoorlijk effectief. Vind je het virus op tijd en wordt een voorstadium van baarmoederhalskanker ontdekt, dan is met de juiste therapie te voorkomen dat er daadwerkelijk kanker ontstaat.”

Minder baarmoederhalskanker
Zonder screening, zo stelde de Gezondheidsraad in het advies, zou het aantal vrouwen dat aan baarmoederhalskanker overlijdt minstens twee keer zo groot zijn. Dit onderzoek moet uitwijzen of de thuistest een bijdrage kan leveren aan het verder terugdringen van baarmoederhalskanker. Het onderzoek begint op 19 september en loopt door tot maart 2012.
[UMC St Radboud]

Preventief onderzoek naar kanker heel gebruikelijk

7 September 2011

In Nederland laten veel vrouwen zich preventief onderzoeken op baarmoederhals- en borstkanker. Vaak doen zij dit naar aanleiding van een oproep voor een bevolkingsonderzoek. Van de mannen van 40 jaar of ouder laat een kwart zich testen op risico op prostaatkanker.

Veel vrouwen onderzocht op baarmoederhals- en borstkanker
Van de vrouwen van 20 jaar of ouder geeft 58 procent aan dat zij in de afgelopen vijf jaar minstens één keer door middel van een uitstrijkje zijn onderzocht op baarmoederhalskanker. Daarnaast geeft 48 procent van de vrouwen van 30 jaar of ouder aan dat zij in de afgelopen twee jaar door middel van röntgenfoto’s zijn onderzocht op borstkanker.

Meestal laten vrouwen zich onderzoeken naar aanleiding van een uitnodiging voor bevolkingsonderzoek. Deze bevolkingsonderzoeken zijn er echter niet voor alle leeftijden en er kunnen ook andere redenen zijn. Zo was bij preventief onderzoek naar borstkanker bij ongeveer een op de negen vrouwen een knobbeltje in de borst de aanleiding voor onderzoek.

Grote meerderheid vrouwen geeft gehoor aan oproep bevolkingsonderzoek
Van de vrouwen die aangeven in de afgelopen vijf jaar te zijn uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker, gaf 85 procent aan gehoor te hebben gegeven aan die oproep. De meest gegeven reden (22 procent) om geen gehoor te geven is het onplezierig vinden van het onderzoek.

Van de vrouwen die aangeven in de afgelopen twee jaar te zijn uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek naar borstkanker, gaf 88 procent aan zich op grond van die uitnodiging te hebben laten onderzoeken. De meest gegeven reden (23 procent) om dat niet te doen, is dat het onderzoek niet nodig wordt gevonden.

Geen bevolkingsonderzoek, toch vaak test op prostaatkanker
Voor mannen is er geen bevolkingsonderzoek. Toch laat een groot deel van de mannen wel een bloedtest doen om vast te stellen of ze een verhoogde kans hebben op prostaatkanker. In 2010 gaf bijna een kwart van de mannen van 40 jaar of ouder aan dat er bij hen in de afgelopen vijf jaar een Prostaat Specifiek Antigeen test is afgenomen.

Ongeveer twee derde van deze mannen deed dit uit voorzorg of vanwege hun leeftijd. Bijna drie op de tien lieten het doen vanwege plasklachten of rugpijn.
[CBS]

Minder uitstrijkjes nodig na behandeling voorstadium baarmoederhalskanker

13 May 2011

baarmoederTwee keer testen is vaak voldoende
Vrouwen, behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, zouden niet alleen met een uitstrijkje, maar ook met een HPV-test moeten worden gecontroleerd. Bij meer dan de helft van deze vrouwen kan dan het aantal vervolgbezoeken aan het ziekenhuis naar beneden. Dat is de conclusie van een studie die vandaag door onderzoekers van VU medisch centrum en het Erasmus MC online in Lancet Oncology is gepubliceerd.

Alle 6.000 vrouwen in Nederland die jaarlijks worden behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, krijgen na 6, 12 en 24 maanden een controle-uitstrijkje in het ziekenhuis. Ruim de helft van deze vrouwen zou echter slechts twee vervolgonderzoeken hoeven te ondergaan, blijkt uit een studie van VUmc en Erasmus MC.

In de studie kreeg een groep van ruim 400 behandelde vrouwen na 6 maanden niet alleen een uitstrijkje, maar ook een HPV-test. Was de uitslag van deze gecombineerde test goed, dan verviel het testmoment op 12 maanden en werd deze combi-test na 24 maanden herhaald. Als deze test ook goed was, dan konden de vrouwen terugverwezen worden naar het ‘gewone’ bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker. Het risico op het ontwikkelen van nieuwe afwijkingen aan de baarmoedermond was dan de komende vijf jaar namelijk zelfs lager dan het risico van behandelde vrouwen met drie achtereenvolgende goede uitstrijkjes. In het bevolkingsonderzoek worden alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar iedere 5 jaar gecontroleerd op afwijkende cellen van de baarmoedermond door een uitstrijkje.

Bij ruim de helft van de vrouwen was de uitslag van de gecombineerde testen beide keren goed. Daarmee hoeven jaarlijks zo’n 3.000 Nederlandse vrouwen maar twee, in plaats van drie keer terug te komen voor vervolgonderzoek na behandeling voor een voorstadium van baarmoederhalskanker. En voor vrouwen in Duitsland en Engeland hebben deze studieresultaten nog meer gevolgen: deze worden nu 5 jaar achter elkaar met een uitstrijkje gecontroleerd en dit kan nu achterwege blijven.
[VUmc]

Minder uitstrijkjes nodig na behandeling voorstadium baarmoederhalskanker

28 April 2011

baarmoederhalskankerVrouwen, behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, zouden niet alleen met een uitstrijkje, maar ook met een HPV-test moeten worden gecontroleerd. Bij meer dan de helft van deze vrouwen kan dan het aantal vervolgbezoeken aan het ziekenhuis naar beneden. Dat is de conclusie van een studie die vandaag door onderzoekers van VU medisch centrum en het Erasmus MC online in Lancet Oncology is gepubliceerd.

Alle 6.000 vrouwen in Nederland die jaarlijks worden behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, krijgen na 6, 12 en 24 maanden een controle-uitstrijkje in het ziekenhuis. Ruim de helft van deze vrouwen zou echter slechts twee vervolgonderzoeken hoeven te ondergaan, blijkt uit een studie van VUmc en Erasmus MC.

In de studie kreeg een groep van ruim 400 behandelde vrouwen na 6 maanden niet alleen een uitstrijkje, maar ook een HPV-test. Was de uitslag van deze gecombineerde test goed, dan verviel het testmoment op 12 maanden en werd deze combi-test na 24 maanden herhaald. Als deze test ook goed was, dan konden de vrouwen terugverwezen worden naar het ‘gewone’ bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker. Het risico op het ontwikkelen van nieuwe afwijkingen aan de baarmoedermond was dan de komende vijf jaar namelijk zelfs lager dan het risico van behandelde vrouwen met drie achtereenvolgende goede uitstrijkjes. In het bevolkingsonderzoek worden alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar iedere 5 jaar gecontroleerd op afwijkende cellen van de baarmoedermond door een uitstrijkje.

Bij ruim de helft van de vrouwen was de uitslag van de gecombineerde testen beide keren goed. Daarmee hoeven jaarlijks zo’n 3.000 Nederlandse vrouwen maar twee, in plaats van drie keer terug te komen voor vervolgonderzoek na behandeling voor een voorstadium van baarmoederhalskanker. En voor vrouwen in Duitsland en Engeland hebben deze studieresultaten nog meer gevolgen: deze worden nu 5 jaar achter elkaar met een uitstrijkje gecontroleerd en dit kan nu achterwege blijven.

Weinig animo vaccinatie baarmoederhalskanker

10 March 2011

baarmoederhalskankerSlechts de helft van de Nederlandse meisjes geboren tussen 1993 en 1996 heeft zich vorig jaar laten vaccineren tegen baarmoederhalskanker. Dat blijkt uit woensdag naar buiten gebrachte cijfers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Het RIVM begon in maart 2009 de HPV-inhaalcampagne om de vaccinaties onder de aandacht te brengen. In totaal zijn drie vaccinaties nodig. De opkomstcijfers zijn volgens het Rijksinstituut in lijn met de verwachting. Een HPV-infectie (humaan papillomavirus) kan de kans op de ontwikkeling van bijvoorbeeld baarmoederhalskanker vergroten.

Kanker: lager risico, meer sterfgevallen

1 February 2011

Het risico om door kanker te overlijden daalt. Mannen hadden in 2010 circa 14 procent minder kans om door kanker te sterven dan in 2000; bij vrouwen daalt het sterfterisico met circa 5 procent minder snel. Het aantal sterfgevallen door kanker is echter door bevolkingsgroei en vergrijzing toegenomen.

Meer sterfgevallen
In 2010 zijn in Nederland ruim 42 duizend mensen overleden door kanker. De ziekte is daarmee verantwoordelijk voor bijna een derde van de totale sterfte. Door bevolkingsgroei en vergrijzing neemt het aantal sterfgevallen door kanker al decennia geleidelijk toe.

Longkanker veroorzaakt bij zowel vrouwen als mannen de meeste sterfgevallen: ruim 10 duizend in 2010. Bij vrouwen komt borstkanker op de tweede plaats met 3,2 duizend sterfgevallen. Bij mannen is dat darmkanker, met ruim 2,8 duizend overledenen.

Kleiner risico om door kanker te overlijden
Wordt rekening gehouden met bevolkingsgroei en vergrijzing, dan daalt het risico om door kanker te overlijden al enkele decennia. De afname is het sterkst bij mannen. Daaraan heeft vooral de afname van de sterfte door longkanker sterk bijgedragen. Bij vrouwen is het risico om door kanker te overlijden minder afgenomen. De sterfte door longkanker nam bij hen juist toe. Dat komt doordat vrouwen de afgelopen decennia meer zijn gaan roken, en mannen juist minder.

Sterkere daling bij mannen
Bij mannen was het risico om door kanker te overlijden in 2010 circa 14 procent kleiner dan in 2000; bij vrouwen bedroeg het verschil circa 5 procent. Het risico om door maagkanker te overlijden nam het sterkst af. Deze daling zette al meer dan een halve eeuw geleden in.

Bij sommige vormen van kanker nemen de overlijdensrisico’s juist toe. Het sterkst waren de toenames bij longkanker (vrouwen) en bij melanoom van de huid (beide seksen).
[CBS]

Nederland twaalfde op kankerranglijst

25 January 2011

Nederland staat twaalfde op de internationale ranglijst van landen waar kanker het meest voorkomt. Dat heeft het Wereld Kanker Onderzoek Fonds maandag bekendgemaakt. Denemarken is koploper.

Jaarlijks krijgen 286,8 op de honderdduizend Nederlanders kanker, zo blijkt uit de meest recente cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Het hoge aantal komt deels door de goede diagnose en registratie van de ziekte. Het heeft echter ook te maken met het hoge percentage rokers, de hoge alcoholconsumptie en het toenemend aantal mensen met overgewicht.

Oorzaken erfelijke darmkanker steeds verder verfijnd

12 December 2010

DarmenDe meest voorkomende vorm van erfelijke darmkanker is het Lynch syndroom, dat wordt veroorzaakt door mutaties in reparatiegenen. In 2008 ontdekten Nijmeegse onderzoekers dat het Lynch syndroom soms ook ontstaat doordat het EPCAM-gen een ‘gezond’ reparatiegen het zwijgen oplegt. Beide oorzaken leiden tot een verhoogde kans op dikkedarmkanker. Hoewel het Lynch syndroom ook gepaard gaat met een sterk verhoogde kans op baarmoederkanker, is dat bij patiënten met het EPCAM-gen níet het geval. Dat blijkt uit een online publicatie van de Nijmeegse groep in the Lancet Oncology. De publicatie is een voorbeeld van personalized medicine, van geneeskunde op maat, waarbij artsen steeds verder inzoomen op de exacte ziekteoorzaak van de individuele patiënt en daar de beste behandeling op afstemmen.

Het UMC St Radboud is gespecialiseerd in onderzoek en behandeling van erfelijke darmkanker. De meest voorkomende vorm van erfelijke darmkanker is het Lynch syndroom. Dit syndroom ontstaat door mutaties in ´reparatiegenen’. Dergelijke reparatiegenen (DNA mismatch repair genes) corrigeren de kleine foutjes die ontstaan wanneer erfelijk materiaal wordt gekopieerd, bijvoorbeeld bij een celdeling. Maar hoe meer van die foutjes er ontstaan, hoe groter de kans wordt op kanker – in dit geval darmkanker. Mensen met het Lynch syndroom hebben dus een grotere kans op darmkanker omdat een van de reparatiegenen niet goed werkt.

Defecte reparateur
Onder leiding van klinisch moleculair geneticus dr Marjolijn Ligtenberg, moleculair bioloog Roland Kuiper en hoogleraar prof dr Nicoline Hoogerbrugge ontdekte de Nijmeegse onderzoeksgroep in 2008 een nieuw mechanisme bij een deel van de patiënten met dit Lynch syndroom. Ligtenberg: “Deze patiënten hadden géén mutatie in een reparatiegen, maar toch werden foutjes bij het kopiëren niet gecorrigeerd. We zagen dat dit komt door het EPCAM-gen, een gen dat net vóór het reparatiegen MSH2 ligt.” Als je van een gen een werkzaam eiwit wilt maken, moet je nauwkeurig de juiste code van dat gen aflezen. Dat betekent dat je bij de juiste DNA-letter moet beginnen en precies bij de juiste DNA-letter moet stoppen. Maar in het EPCAM-gen zit een foutje, waardoor het aflezen niet aan het eind stopt, maar gewoon doorloopt tot aan het einde van het reparatiegen. Ligtenberg: “Door die fout worden beide genen aan elkaar gekoppeld. Twee stukjes vermicelli verliezen bij wijze van spreken hun normale functie omdat er een spaghettisliert ontstaat waarvan de functie niet duidelijk is. Het effect is vergelijkbaar met een mutatie in een reparatiegen: het gen functioneert niet meer en dus is er sprake van het Lynch-syndroom.”

Lagere kans baarmoederkanker
De ontdekking dat een gen zijn buurman het zwijgen kan opleggen – een nieuwe vorm van gene silencing – werd vorig jaar gepubliceerd in Nature Genetics. Het leidde ook tot een verfijning van de screening bij patiënten met het Lynch syndroom, want voortaan wordt bij patiënten met Lynch syndroom ook standaard naar mogelijke EPCAM-mutaties gekeken. Tegelijkertijd werd met internationale collega´s een onderzoek opgezet naar mogelijke verschillen tussen EPCAM-patiënten en de reparatiegenpatiënten.

Hoogleraar Hoogerbrugge: “Patiënten met Lynch syndroom hebben een verhoogde kans op dikkedarmkanker die gedurende het leven oploopt tot zeventig procent. Bij vrouwen neemt ook het risico op baarmoederkanker aanzienlijk toe, variërend van vijfendertig tot zeventig procent. Onderzoek bij bijna tweehonderd EPCAM-patiënten maakt nu duidelijk dat ze inderdaad een vergelijkbare kans op darmkanker hebben, maar dat hun kans op baarmoederkanker veel lager is.” De resultaten van dit onderzoek zijn zojuist online verschenen in the Lancet Oncology.

Geneeskunde op maat
Met de publicatie in the Lancet Oncology brengen de onderzoekers – op basis van de verschillende oorzaken van erfelijke darmkanker – een verdere verfijning aan in de bijbehorende ziektebeelden. Daarmee leveren ze een bijdrage aan de personalized medicine, aan een geneeskunde die steeds meer uitgaat van de specifieke ziekte van elke individuele patiënt. Waardoor het verschil in kans op baarmoederkanker wordt veroorzaakt, is iets voor vervolgonderzoek. Ligtenberg: “Mogelijk is het gemuteerde EPCAM-gen in de baarmoeder minder actief. Dan worden er minder spaghettislierten gevormd en ontstaat er op die manier meer ruimte en capaciteit voor het aflezen van het reparatiegen. Op deze manier gaan we stap voor stap verder met het ontrafelen van erfelijke darmkanker.”
[UMC St Radboud]