Archief categorie ‘ADHD’

Omgeving heeft invloed op ADHD

31 Augustus 2010

ADHDBiologische en gezinsfactoren hebben, ook los van genetische aanleg, invloed op de ontwikkeling van de stoornis ADHD bij kinderen. Een hoog geboortegewicht, een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling zijn omstandigheden die samenhangen met ADHD-symptomen bij kinderen. Dit blijkt uit een onderzoek van Cathelijne Buschgens, dat zij verrichtte bij de afdeling Psychiatrie van het UMC St Radboud. Zij promoveert op 9 september tot doctor in de medische wetenschappen.

Onderlinge samenhang
De laatste jaren is er bij onderzoekers en anderen veel belangstelling voor de genetische achtergrond van ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder), een stoornis die gekenmerkt wordt door aandachtproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit. Dat ook ‘de omgeving’ invloed heeft op ADHD, is weliswaar altijd verondersteld, maar gedegen onderzoek naar het belang van specifieke omgevingsfactoren, waarbij gelijkertijd rekening wordt gehouden met genetische aanleg, is nog weinig gedaan. ‘Dat is jammer’, vindt orthopedagoog Cathelijne Buschgens (UMC St Radboud), ‘vooral omdat omgevingsfactoren handvatten kunnen bieden voor preventie en behandeling.’

Buschgens analyseerde onder andere enquêtegegevens die verzameld zijn in een Nederlandse studie onder enkele duizenden kinderen en hun ouders en leerkrachten. Zij zocht naar een eventuele onderlinge samenhang tussen omstandigheden tijdens zwangerschap en geboorte enerzijds en symptomen van ADHD anderzijds. Binnen dit onderzoek is ook het familierisico in beschouwing genomen; dat is een benadering van de erfelijke kwetsbaarheid voor ADHD binnen het gezin.

Extra alert
Buschgens ontdekte dat een hoog geboortegewicht van het kind (negen pond of hoger), een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling een voorspellende waarde hebben voor ADHD-gedrag van het kind. Dit verband blijft overeind, ook als rekening wordt gehouden met het familierisico. Het verband is sterker, als er ook een familierisico bestaat.

Buschgens noemt het opvallend, dat een hoog geboortegewicht gevonden is als risicofactor voor ADHD. ‘Van een laag geboortegewicht is bekend dat het schadelijk kan zijn voor de gezondheid van een kind. Maar van een hoog geboortegewicht zijn veel minder lange termijn risico’s bekend.’ De gezondheidszorg zou extra alert moeten zijn, als rondom een geboorte een combinatie van deze risicofactoren aanwezig is.

Het hele gezin
Ze onderzocht ook de relatie tussen ADHD en diverse gezinsfactoren. Een weinig warme, overbeschermende en afwijzende opvoeding hangt samen met meer ADHD-kenmerken bij het kind. Daarnaast heeft ADHD bij ouder(s) ook effect op de ouder-kind relatie, en wordt de verhouding tussen broertjes en zusjes onderling beïnvloed door ADHD-gedrag van één van de kinderen.
Een belangrijke aanbeveling van het proefschrift is dan ook om bij de behandeling van ADHD van een kind, of van een ouder, alle gezinsleden te betrekken.
[UMC St Radboud]

Ook ADHD bij volwassenen is genetisch bepaald

12 Mei 2010

ADHDHoewel er erg veel onderzoek wordt gedaan naar ADHD bij kinderen, is er weinig bekend over ADHD bij volwassenen en vraagt men zich zelfs af of de aandoening wel bestaat bij volwassenen. Onderzoekers van het Nederlands Tweelingen Register (NTR) van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) publiceren vandaag de bevindingen van hun onderzoek naar ADHD bij volwassenen in de Public Library of Science (PLoS ONE).

De onderzoekers analyseerden de gegevens van meer dan 12.000 volwassenen (tweelingen en gezinsleden van tweelingen) en vonden dat ADHD bij volwassenen voor 30% genetisch bepaald is. Dit is minder dan de erfelijkheid van ADHD bij kinderen. Daarnaast vonden de onderzoekers dat volwassenen met ADHD vaker dan gemiddeld een partner hebben die ook ADHD heeft, waardoor de kans op het doorgeven van ADHD-genen aan hun nageslacht groter wordt. Wanneer ADHD bij verschillende generaties in dezelfde familie voorkomt, is dit altijd door erfelijkheid overgedragen, concludeerden de onderzoekers. Zij vonden geen bewijs dat ADHD ook door imitatiegedrag of andere culturele factoren overgedragen wordt.

Uit familieonderzoek, zoals het onderzoek dat wordt uitgevoerd met gegevens uit het Nederlands tweelingenregister (NTR), kan worden opgemaakt dat eigenschappen (deels) genetisch bepaald zijn. De volgende stap zal zijn om de precieze genetische locatie van ADHD eigenschappen te bepalen. Deze bevindingen zorgen ervoor dat in de toekomst gezondheidsproblemen gerichter behandeld of mogelijk zelfs voorkomen kunnen worden. Op dit moment leidt het onderzoek tot een beter inzicht in het vóórkomen van ADHD bij volwassenen (5 tot 7% van de bevolking) en tot een beter begrip van de oorzaken.

Verschil PDD-NOS en ADHD moeilijk aantoonbaar

6 Mei 2010

ADHDPDD-NOS (Pervasive Development Disorder – Not Otherwise Specified) en ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) worden in het diagnostisch handboek voor psychische stoornissen beschreven als twee afzonderlijke categorieën. Beide stoornissen worden bovendien geassocieerd met verschillende gedragskenmerken, zoals beperkingen in de sociale interactie (PDD-NOS), concentratieproblemen en overbeweeglijkheid (ADHD). In de praktijk blijkt het echter vaak lastig om op klinische gronden een onderscheid te maken. Promovenda Karin Gomarus onderzocht of het verschil kon worden aangetoond op basis van informatieverwerkingsvaardigheden.

Gomarus bestudeerde de functie van het werkgeheugen en de visuele, selectieve aandachtsfunctie van kinderen met PDD-NOS en ADHD. Aan groepen kinderen met PDD-NOS, ADHD, of kenmerken van beide ontwikkelingsstoornissen werd gevraagd computertaken uit te voeren terwijl er een EEG van hun hersenen werd gemaakt. De onderzoekster vergeleek de uitkomsten met die van een controlegroep. Ze ontdekte dat de patiëntgroepen meer tijd nodig hadden dan de controlekinderen naarmate het werkgeheugen extra belast werd. Tussen de klinische groepen onderling bleken echter op de scans geen statistisch significante verschillen te bestaan. Deze uitkomsten komen overeen met het beeld uit de klinische praktijk dat het lastig is om mogelijke verschillen tussen de betreffende ontwikkelingsstoornissen aan te wijzen.

Karin Gomarus (Norg, 1972) studeerde psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Zij verrichtte haar onderzoek bij Accare, een academische instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Het onderzoek werd gefinancierd door de Protestants Christelijke Kinderuitzending (PCK). Gomarus werkt sinds 2007 als psycholoog en wetenschappelijk onderzoeker bij GGZ Drenthe. De titel van haar proefschrift luidt: `The psychophysiology of selective attention and working memory in children with PDD-NOS and/or ADHD’.

Promotie mw. H.K. Gomarus

The psychophysiology of selective attention and working memory in children with PDDNOS and/or ADHD
12 mei 2010, 13.15 uur
Promotor(s): prof.dr. R.B. Minderaa
[Rijksuniversiteit Groningen]

Implementeren Richtlijn ADHD voor kinderen halverwege

24 Maart 2010

ADHDEr wordt hard gewerkt aan het implementeren van de Multidisciplinaire Richtlijn voor kinderen en jeugdigen met ADHD. De teams hopen begin volgend jaar met resultaten te komen. In juni 2009 zijn Riagg Amersfoort, Jeugdriagg Noord Holland Zuid en GGZ Drenthe aan de slag gegaan met het implementeren van de richtlijn, ondersteund door medewerkers van het Trimbos-instituut en een inhoudelijk deskundig expertteam.

Aan het project is tevens een onderzoek gekoppeld om kennis te genereren over deze implementatie in de jeugdzorg. Het onderzoek wordt gedaan door IQ (Scientific Institute for Quality of Healthcare). Het volledige project wordt gefinancierd door ZonMw.

De teams zijn met verschillende thema’s bezig en betrekken hier hun ketenparterners bij, zoals de huisartsen, GGZ-instellingen, de school, Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en de zorgverzekeraar. Eén van de beoogde verbeteringen is een goede en snelle diagnose bij kinderen, waarbij over- en onderdiagnosticering voorkomen moet worden. Dit gebeurt met behulp van een ADHD poli en een diagnosestraat.

Een andere verbetering betreft het medicatiegebruik door systematische monitoring ervan.  Er is ook een start gemaakt met het verbeteren van de voorlichting over ADHD. Deze voorlichting is gericht op vroegsignalering door leerkrachten. Daarnaast wordt er een programma ontwikkeld om ouders van kinderen met ADHD gedragstherapeutisch te trainen.

Er is al een hoop werk verzet en de teams zijn enthousiast aan het werk om hun ambiteuze doelen te realiseren vóór het begin van 2011. Op 22 maart 2011 vond een bijeenkomst plaats waarin uitkomsten van dit implementatietraject werden gepresenteerd.
[Trimbos-instituut]

Voeding en ADHD

2 Maart 2010

ADHDUit een literatuurstudie van het RIVM kunnen op dit moment geen concrete voedingsadviezen afgeleid worden om symptomen van ADHD te verminderen. Een relevant effect van voeding op ADHD kan onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd worden. Er zijn daarvoor te weinig grote en kwalitatief goede studies uitgevoerd. Er zijn wel aanwijzingen voor een relatie tussen voeding en ADHD, maar aanvullend onderzoek is nodig. Dit is wenselijk, omdat voeding mogelijk het gebruik van medicatie voor ADHD-klachten kan verminderen of voorkomen.

Dit rapport bevat een overzicht van studies naar de invloed van voedingscomponenten en specifieke dikten op het gedrag van kinderen met ADHD. Het gaat hierbij om de afzonderlijke voedingscomponenten omega-3- en omega-6-vetzuren, zink, magnesium, ijzer, gluten en additieven. Voor vetzuren worden gunstige effecten gevonden, maar deze zijn klein en klinisch niet relevant. Naar de effecten van zink, magnesium, ijzer en gluten zijn tot op heden te weinig studies uitgevoerd om een eenduidige conclusie te kunnen trekken. Van de additieven zijn voornamelijk kleurstoffen onderzocht. Als er al een effect op gedrag is, is dit waarschijnlijk klein en niet specifiek voor ADHD.

Daarnaast zijn drie specifieke dieten bekeken, waarin bepaalde bestanddelen van de voeding vermeden worden: het ‘Feingold’-dieet, het ‘oligoantigeen’-dieet en het ‘Pelsser-Voeding en Gedrag’-dieet. De studies geven aanwijzingen dat een deel van de kinderen profijt kan hebben van deze dieten. Of dit daadwerkelijk zo is, zo ja bij welke kinderen en welke werkingsmechanismen hierachter liggen, is (nog) niet wetenschappelijk aangetoond. Een complicerende factor hierbij is dat de meest effectieve dieetsamenstelling per individu wordt vastgesteld.

Het volledige rapport is te downloaden op de website van het RIVM (pdf).

Interferentiecontrole en afleidbaarheid in ADHD: nieuwe inzichten

15 Februari 2010

ADHDEen belangrijke vaardigheid is het selectief kunnen richten van aandacht op datgene wat relevant is en irrelevante informatie te negeren. Bij kinderen met ADHD gaat dit vaak mis, zij zijn sneller afgeleid door wat er om hen heen gebeurt en reageren hier ook eerder op. Rosa van Mourik heeft in haar promotieonderzoek meer inzicht gekregen in de onderliggende processen van deze problemen.

Interferentiecontrole is de vaardigheid om tegelijkertijd een automatische reactie te remmen en een meer gecontroleerde actie uit te voeren. Er werd lang verondersteld dat kinderen met ADHD meer moeite zouden hebben met interferentie controle (zoals gemeten met de Stroop-Kleur-Woord-taak). Uit het onderzoek van Van Mourik blijkt echter dat dit effect maar klein is, en kinderen met ADHD andere taken die interferentiecontrole meten even goed uitvoeren als hun leeftijdsgenootjes zonder ADHD. Ook wordt vaak gedacht dat kinderen met ADHD sneller afgeleid zijn door geluiden om hen heen. Van Mourik toont juist het tegenovergestelde: dat kortdurende nieuwe geluiden een positief effect hebben op de taakprestatie. Kinderen met ADHD gingen in het onderzoek weliswaar langzamer reageren, maar reageerden op meer plaatjes dan tijdens de standaardtonen. Een verklaring hiervoor is dat deze nieuwe geluiden tijdelijk de alertheid van kinderen met ADHD verhoogden.

Toch zijn er wel verschillen in de neurofysiologische verwerking van interfererende en afleidende informatie zegt Van Mourik. Kinderen met ADHD lieten namelijk een grotere ‘orienting response’ (late P3a component) zien, wat suggereert dat zij hun aandacht meer richten op het afleidende geluid.

Promotie R. van Mourik
Interferentiecontrole en afleidbaarheid in ADHD: nieuwe inzichten
16-02-2010, 13.45u
Promotor: prof.dr. J.A. Sergeant prof.dr. J. Oosterlaan
[Vrije Universiteit Amsterdam]

Studenten slikken adhd-medicijn in examenperiode

18 Oktober 2009

ritalinUit onderzoek van de Erasmus universiteit in Rotterdam blijkt dat zeven procent van de studenten in ons land weleens ritalin slikt. Zij blijken dit midddel tegen adhd te gebruiken om beter geconcentreerd te raken in een examenperiode.

Ook zeggen de studenten het middel te gebruiken om in een roes te raken en geven aan het later na hun studie als genotsmiddel te blijven innemen. Zij krijgen de pillen, die vier euro per stuk kosten, van familie, vrienden of kennissen.
Overigens is het gebruik niet zonder gevaar. Het middel kan zorgen voor misselijkheid, hoge bloeddruk en hartkloppingen.

Heeft je kind ADHD? Volg een oudertraining!

29 September 2009

ADHDKinderen met ADHD hebben er baat bij als hun ouders een oudertraining volgen. Ze worden minder ongehoorzaam, vertonen minder opstandig gedrag en hebben minder driftbuien en angst- en stemmingsklachten. Dat blijkt uit onderzoek van Barbara van den Hoofdakker van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Van den Hoofdakker promoveert op 7 oktober aan de Rijksuniversiteit Groningen.

ADHD (Attention-Deficit Hyperactivity Disorder) is een veel voorkomende stoornis bij kinderen, die zich uit in o.m. verminderde concentratie, hyperactiviteit en impulsiviteit. De aandoening leidt vaak tot problemen op school, in het gezin en in relaties met leeftijdgenoten. Op de langere termijn lopen kinderen met ADHD een verhoogd risico op het ontwikkelen van bijvoorbeeld delinquent gedrag en verslaving. Goede behandeling is daarmee van groot persoonlijk én maatschappelijk belang.

Positief gedrag stimuleren
Van den Hoofdakker verrichtte onderzoek onder 94 kinderen met ADHD en gedragsproblemen tussen vier en twaalf jaar. De ouders van de helft van deze kinderen kregen reguliere zorg, de ouders van de andere helft van de kinderen kregen daar bovenop een speciale oudertraining. Deze bestond uit 12 groepssessies van elk twee uur, waarin de ouders onder meer leerden hoe ze het dagelijkse leven van hun kind kunnen structureren, hoe ze hun kinderen kunnen instrueren en hoe ze gewenst gedrag kunnen prijzen en belonen. Van den Hoofdakker: “Ouders van kinderen met ADHD zijn vaak geneigd negatief gedrag te bestraffen. Dat wordt in de oudertraining doorbroken. Ouders leren hoe ze het best op ongewenst gedrag kunnen reageren, maar vooral ook hoe ze positief gedrag van hun kind kunnen stimuleren.”

Beter in hun vel
Uit het onderzoek blijkt dat kinderen met ADHD minder ongehoorzaam zijn, minder opstandig gedrag vertonen en minder driftbuien en angst- en stemmingsklachten hebben wanneer hun ouders oudertraining hebben gevolgd. Ook de hoeveelheid stress bij de ouders neemt af, maar op dit punt biedt oudertraining geen meerwaarde boven de reguliere zorg, want ook in de groep die alleen reguliere zorg kreeg, nam de stress bij de ouders af. Wanneer het kind veel bijkomende stoornissen heeft (zoals een gedragsstoornis, of een angst- of stemmingsstoornis), biedt de oudertraining geen duidelijke meerwaarde.

“Het lukt toch niet…”
Opmerkelijk is dat oudertraining minder zinvol is bij moeders die een negatief beeld hebben van zichzelf als opvoeder. Van den Hoofdakker: “Naar de oorzaken daarvan hebben we geen onderzoek gedaan. Maar we vermoeden dat deze vrouwen de aanwijzingen uit de oudertraining minder snel opvolgen. Ze denken misschien dat het ze tóch niet lukt het gedrag van hun kind te veranderen.” Kinderen van vaders die bij zichzelf symptomen van ADHD waarnemen, blijken juist beter te reageren wanneer hun ouders een oudertraining volgen. Van den Hoofdakker: “Op de oudertraining wordt veel aandacht besteed aan rustig blijven, aan niet-impulsief gedrag. Vaders die uit zichzelf impulsief handelen, hebben daar misschien meer baat bij dan vaders die uit zichzelf weldoordacht reageren. En dus knappen hun kinderen er meer van op als ze de training volgen.”

Houvast in de praktijk
Oudertraining wordt in Nederland al enige jaren aangeboden, maar de effectiviteit ervan was in ons land nog nooit onderzocht. Van den Hoofdakker: “Al het bestaande onderzoek op dit terrein komt uit de Verenigde Staten. Uit ons onderzoek blijkt nu dat de training ook effectief is in de Nederlandse situatie. Bovendien hebben aan het onderzoek gezinnen meegedaan waar meestal al langer problemen zijn, en waarbij de ouders vaak al bij meerdere hulpverleners hebben aangeklopt.” Daarmee bieden de resultaten van haar onderzoek een belangrijk houvast voor hulpverleners in de kinder- en jeugdpsychiatrie en GGZ in Nederland, meent de onderzoeker. “We hebben aangetoond dat de interventie écht werkt en ook in welke gevallen zij meer en minder effectief is.”

Curriculum vitae
Barbara van den Hoofdakker (Utrecht, 1961) studeerde Orthopedagogiek te Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek aan het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie Groningen (Accare, UCKJP), waar ze werkt als klinisch psycholoog/gedragstherapeut, manager en onderzoeker, en binnen onderzoeksschool BCN. Ze promoveert tot doctor in de medische wetenschappen bij Prof.dr. R.B. Minderaa en prof.dr. P.M.G. Emmelkamp. De titel van haar proefschrift luidt: “Behavioral parent training for children with ADHD. Effectiveness in clinical practice and moderators of treatment response”.
[UMCG]

Nader inzicht in onderscheid dyslexie en ADHD

17 September 2009

ADHDDyslexie en ADHD zijn stoornissen die tot in de volwassenheid problemen blijven veroorzaken. Naar beide aandoeningen is al veel gedragsonderzoek gedaan, maar over de verschillen in informatieverwerking bij deze aandoeningen is nog veel onbekend. Monica Dhar verrichtte hiernaar onderzoek, onder meer op basis van metingen van hersenactiviteit.

Uit het onderzoek blijkt dat bij dyslectische volwassenen andere aandachtsprocessen verstoord zijn dan bij volwassenen met ADHD, namelijk visuo-spatiële aandachtsprocessen bij dyslexie (vroege informatieverwerking gerelateerd aan visuele oriëntatie), terwijl bij volwassenen met ADHD het reguleren van aandacht problematisch verloopt. Ook constateert Dhar dat bij volwassenen met dyslexie de samenwerking tussen linker- en rechterhersenhelft minder goed is ontwikkeld. Dit suggereert dat er in de vroege ontwikkeling afwijkende verbindingen zijn aangelegd en dat de pariëtale cortex mogelijk minder gespecialiseerd is voor oriëntatie op een visuo-spatiële stimulus.

Een verminderde visuo-spatiële oriëntatie werd al gevonden bij baby’s van vijf maanden met een genetisch risico op dyslexie. Bij deze baby’s was de hersenreactiviteit op visuo-spatiële prikkels in vergelijking met controlebaby’s minder sterk.

Monica Dhar (India, 1972) studeerde psychologie in Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek aan het Neuroimaging Center van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Inmiddels werkt ze als postdoc aan de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent, België.

Electrophysiological studies on visual information processing in dyslexia and ADHD
Datum: 16 september 2009
Promotie: mw. M. Dhar, 13.15 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen
Proefschrift: Electrophysiological studies on visual information processing in dyslexia and ADHD
Promotor(s): prof.dr. R.B. Minderaa
Faculteit: Medische Wetenschappen

ADHD-ers relatief vaker te dik of drugsverslaafd

14 September 2009

ADHDMensen met ADHD kampen relatief vaker met overgewicht en drugsverslaving. Dat is de conclusie van een Amerikaans wetenschappelijk onderzoek. Daaruit bleek dat mensen met ADHD een ontwricht belonings- en motivatiecentrum hebben door een tekort aan 2 bepaalde eiwitten. Deze zijn verantwoordelijk voor de aanmaak en transport van dopamine. Eiwitten zijn voedingsstoffen die van essentieel belang zijn voor motivatie en beloning Volgens onderzoeker Nora Volkow van het Brookhaven National Laboratory zouden mensen die dit eiwittekort hebben – al dan niet bewust – extra eten of drugs gebruiken omdat ze dat ontwrichte systeem willen compenseren.

Voor het onderzoek werd van 53 ADHD-patiënten en 44 volwassenen zonder ADHD een hersenscan gemaakt waaruit Volkow haar conclusies trok. Daarbij werd een kleurstof toegediend die de twee eiwitten zichtbaar maakte op de scan.

Hersengolven afwijkend bij ADHD en PDD-NOS

8 September 2009

ADHDUit promotieonderzoek van Yvonne Groen van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat ADHD en PDD-NOS op basis van psychofysiologische metingen van elkaar te onderscheiden zijn. Hartslag en hersengolven bij het verrichten van taken en verwerken van feedback laten dit zien.

De begrippen ADHD en PDD-NOS zijn de laatste jaren erg in opmars. Veel mensen zijn sceptisch over het bestaan van deze aandoeningen (‘tegenwoordig heeft iedereen ADHD of PDD-NOS’). Wat deze scepsis ondermeer voedt is het feit dat de aandoeningen in de praktijk moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.

ADHD
Uit het onderzoek blijkt dat vooral kinderen met ADHD afwijken in de reacties van hun brein en de hartslag wanneer zij fouten en feedback verwerken. Zij verwerken informatie dus anders dan kinderen die zich normaal ontwikkelen.

Hersengolven
De afwijkende hersengolven geven aan dat bepaalde hersengebieden anders werken bij deze kinderen, waarschijnlijk door een tekort aan dopamine en noradrenaline. Ook de kinderen met PDD-NOS lieten enkele afwijkingen zien, vooral in de emotionele verwerking van feedback.

Methylfenidaat
Uit het onderzoek blijkt verder dat gebruik van Methylfenidaat (Ritalin) gunstig is bij kinderen met ADHD. Kinderen met ADHD die het medicijn gebruiken tijdens de computertaken, zijn minder gevoelig voor fouten en feedback. Dit komt waarschijnlijk doordat Ritalin het tekort aan dopamine en noradrenaline aanvult.

Ook vond Groen aanwijzingen dat varianten van twee genen van invloed zijn op de manier waarop onze hersenen fouten en feedback verwerken. Hiermee bevestigt ze conclusies uit eerder onderzoek
[RUG]

Gebruik van ADHD-middel Ritalin in België sterk toegenomen

26 Augustus 2009

ritalinHet gebruik van  het ADHD-middel Ritalin is in België de afgelopen jaren sterk toegenomen. In de periode 2005-2008 stegen de totale uitgaven voor Ritalin van 4,2 tot 7,6 miljoen euro, aldus HLN.be.

Dit bedrag omvat zowel de door het Riziv (Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering) terugbetaalde als andere Rilatin. De Riziv-uitgaven voor Rilatine stegen in de periode 2005-2008 van 1,2 tot 3,5 miljoen euro.