Nederland behoeft meer kennis over voedselallergie

vrouw etenPatiënten met een voedselallergie ervaren een verminderde kwaliteit van leven. Dit komt voornamelijk doordat zij moeten leven met de angst voor soms ernstige allergische reacties die door inname van een kleine hoeveelheid allergeen al kunnen ontstaan. Bovendien ervaren deze patiënten onzekerheid over de diagnose en prognose en moeten zij dagelijks overwegen welke voedingsmiddelen/ gerechten ze kunnen eten. Deze kwaliteit van leven is mogelijk te verbeteren door de kennis over voedselallergie te vergroten bij mensen die direct met hen te maken hebben, zoals artsen, familie, vrienden en leraren. Dit stelt Nicole Goossens van het UMCG in haar proefschrift. Zij deed onderzoek naar de kwaliteit van leven van patiënten met een voedselallergie en onderzocht daarbij ook de kennis over voedselallergie in Nederland. Goossens promoveert op 30 juni aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Voedselallergie is een specifieke afweerreactie van het lichaam, die ontstaat bij inname van een bepaald voedingsmiddel. Het feit dat deze patiënten en hun families voortdurend alert moeten zijn tijdens het bereiden en eten van een maaltijd, zorgt voor angst, onzekerheid en daarmee voor een verminderde kwaliteit van leven. Er is nog geen behandeling tegen voedselallergie. Patiënten moeten allergenen vermijden en patiënten met ernstige vormen van voedselallergie moeten altijd een adrenalinepen bij zich dragen, die ze in geval van nood kunnen injecteren. Het is de taak van de zorgverleners om zich te richten op de kwaliteit van leven van deze patiënten.

Goossens onderzocht de voedselallergie-gerelateerde kwaliteit van leven met gevalideerde vragenlijsten: de Food Allergy Quality of Life Questionnaires (FAQLQs). Uit haar onderzoek blijkt dat er enkele factoren zijn die deze kwaliteit van leven bepalen. Het type voedingsmiddel dat de allergie veroorzaakt, de ervaren ernst van de aandoening en nationaliteit van de patiënt lijken hier een rol in te spelen. Het doormaken van anafylaxie en het voorgeschreven krijgen van een adrenalinepen lijken geen relatie te hebben met deze kwaliteit van leven.

Goossens ging na hoe het is gesteld met de kennis en opvattingen van huisartsen, ouders van voedselallergische kinderen en de algehele Nederlandse bevolking. Zij gebruikte hiervoor een Amerikaanse vragenlijst, maakte deze geschikt voor gebruik in Nederland en vergeleek de uitkomsten van beide landen met elkaar.

De kennis over voedselallergie van Nederlandse huisartsen bleek vergelijkbaar met de kennis over voedselallergie van Amerikaanse familiedokters. In beide landen lijken belangrijke kennislacunes te bestaan voor het diagnosticeren van voedselallergie en het behandelen van anafylaxie. Deze kennislacunes bij eerstelijns artsen lijkt een internationaal probleem te zijn.

De kennis van Nederlandse ouders van voedselallergische kinderen was significant slechter dan die van Amerikaanse ouders. Nederlandse ouders waren wel optimistischer over verschillende aspecten van voedselallergie. Dit optimisme kan worden verklaard door een gebrek aan kennis, aangezien een eerdere studie liet zien dat ouders met minder voedselallergische kennis een betere ziekte-gerelateerde kwaliteit van leven hadden. Verder stelt Goossens vast dat een hoger opleidingsniveau, lid zijn van een patiëntenvereniging, bemoeienis van een allergoloog en een ziektegeschiedenis van het kind met anafylaxie bepalend zijn voor voedselallergische kennis bij ouders.

Op basis van het onderzoek van Goossens lijkt het er op dat de Nederlandse bevolking weinig kennis heeft over de belangrijkste voedselallergenen, symptomen van voedselallergie en de mogelijke behandelopties. De Nederlandse bevolking lijkt de ernst van mogelijke voedselallergische reacties te onderschatten en weet niet wat te doen in geval van een voedselallergische noodsituatie. De Amerikaanse bevolking lijkt meer te weten over voedselallergie en is pessimistischer over voedselallergie dan de Nederlandse bevolking.

Voedselallergische patiënten zijn in hun dagelijks leven afhankelijk van anderen voor de juiste diagnose, goede voorlichting, voorschrijven van noodmedicatie, zorgvuldige allergeenvermijding, herkennen van symptomen en adequaat handelen in geval van nood. Goossens pleit daarom voor het vergroten van de kennis over voedselallergie en meer begrip voor deze patiënten: ‘Nadat we de kennis over voedselallergie hebben gemeten is duidelijk dat Nederland behoefte heeft aan educatie. Dat zal naar verwachting uiteindelijk de kwaliteit van leven van deze patiënten verbeteren.’
[UMCG]

Helft mensen met overgewicht wil afvallen

overgewicht buikvetRuim de helft van de mensen met overgewicht wil afvallen. De meesten willen dat zelf doen, slechts een klein gedeelte zoekt daarvoor medische of diëtetische hulp. De andere helft is er nog níet aan toe wat aan zijn gewicht te doen. Preventieprogramma’s zouden op deze verschillende behoeftes moeten inspelen, schrijven onderzoekers van het NIVEL en de VU in het wetenschappelijke tijdschrift BMC Public Health.

“Nu blijkt dat zoveel mensen met overgewicht zelf willen afvallen, zouden preventieprogramma’s daarop kunnen inspelen”, stelt NIVEL-programmaleider Cindy Veenhof. “Bijvoorbeeld door regelmatig lichamelijk onderzoek uit te voeren en individuele leefstijladviezen te geven, of te verwijzen naar betrouwbare informatie. Hiermee is obesitas en een eventuele verdere verslechtering van de gezondheid te voorkomen.”

Afvallen met hulp
Uit het onderzoek blijkt dat mensen met overgewicht de diëtist het meest geschikt vinden om dieetadvies te geven, maar eigenlijk met name voor anderen. Een kleine groep is uiteindelijk van plan om onder begeleiding van een zorgverlener te gaan afvallen. Dit zijn voornamelijk mensen die hun gezondheid als slecht beoordelen. Ook zijn mensen met obesitas of overgewicht met daarbij meer kans op hart- en vaatziekten en bijkomende ziekten door bijvoorbeeld hoge bloeddruk, vaker van plan hulp van een zorgverlener in te schakelen dan mensen met alleen overgewicht.

Lees verder op de website van het NIVEL.

Onderzoekers UMCG krijgen subsidie Diabetesfonds voor ontrafelen mechanismen diabetes

diabetesOnderzoekers van het UMCG ontvangen een subsidie van 275.000 euro van het Diabetesfonds. Met dit geld gaat Jana van Vliet-Ostaptchouk van de afdeling Endocrinologie onderzoek doen naar verstoringen van het endocriene systeem in het lichaam, die worden veroorzaakt door blootstelling aan bepaalde milieuverontreinigende stoffen. Haar onderzoek richt zich vooral op het zichtbaar maken van de onderliggende mechanismen van het ontstaan van diabetes.

De huidige epidemie van type2-diabetes (T2D) vormt een belangrijk risico voor de moderne samenleving. Recente gegevens wijzen erop dat blootstelling aan bepaalde milieuverontreinigende stoffen, zogeheten endocriene disruptors (EDC), een belangrijke rol kan spelen in de wereldwijde toename van diabetes. Onderzoek laat zien dat EDC het endocriene systeem in het lichaam op diverse manieren verstoren.

Van Vliet-Ostaptchouk wil in haar onderzoek de relatie tussen EDC, verstoring van de
glucosestofwisseling en verhoogd risico op type2-diabetes nagaan. Tevens wil zij nagaan of dit risico verandert door genetische aanleg en leefstijl. Zij vergelijkt de bloostellingen aan EDC’s en de interactie met erfelijke factoren en voedingsgewoonten en hoeveelheid lichaamsbeweging, tussen gezonde mensen, mensen met overgewicht en een groep van 1500 patiënten met type2-diabetes.

Voor haar onderzoek maakt Van Vliet gebruik van de gegevens van de LifeLines-biobank. Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met Dr. A.M. Andersson van het Center of Endocrine Disruptors, Copenhagen University Hospital. Mede-aanvrager voor de subsidie is Prof. B. Wolffenbuttel van het UMCG. De studie gaat in totaal 4 jaar duren.
[UMCG]

foodwatch: Voedselreclame dringt kinderdagverblijven en scholen binnen onder mom van educatie

Voedselbedrijven omzeilen de door henzelf opgelegde regels om geen reclame te maken voor kinderen onder de 7 jaar door hun reclame als ‘voorlichting’ te bestempelen. Onder het mom van educatie dringen voedselbedrijven zoals Unilever en McDonalds scholen en kinderdagverblijven binnen om daar reclame te maken. Dat stelt voedselwaakhond foodwatch. Volgens de organisatie verschillen de belangen van educatie en voedselbedrijven fundamenteel van elkaar. De organisatie is daarom een petitie gestart op www.foodwatch.nl om de overheid te vragen een wettelijk verbod af te kondigen op voedselreclame op scholen en kinderdagverblijven.

Voorlichting met commerciële boodschap

Maar liefst 91% van de Nederlanders vindt het geen taak van de voedselindustrie om voorlichting te geven over goede voeding. Daarnaast vindt 77% dat kinderen op het kinderdagverblijf beschermd moeten worden tegen reclame van voedselproducenten. Dat blijkt uit een enquête van foodwatch onder 1.000 Nederlanders. Toch is er geen wet die reclame op scholen en kinderdagverblijven verbiedt. Wel zijn er door de voedselindustrie zelf opgelegde regels, maar die laten reclame onder het mom van voorlichting toe. De reclame is dan verpakt als ‘educatieve activiteit’, maar heeft in de praktijk vaak een commerciële boodschap. Denk aan de smeerdiploma’s van Unilever op kinderdagverblijven, beweeg- en veiligheidsshows van Ronald McDonald op scholen en gesponsorde schoolontbijtjes met onder meer Venz hagelslag op de ontbijttafels.

“De educatieve doelen van scholen en kinderdagverblijven zijn niet te verenigen met de commerciële belangen van voedselproducenten. Zij moeten daar dan ook wegblijven”, zegt Meike Rijksen van foodwatch. “Kinderen zijn geen marketingobject en zeker binnen de onderwijsmuren moeten zij veilig kunnen leren en spelen.”

De smeerdiploma’s van Unilever
Het smeerdiploma van Unilever was een onderdeel van de ‘beroepencampagne’, een grote reclamecampagne die de multinational voert en die jonge kinderen moet binden aan het merk Blue Band Goede Start. Met het smeerdiploma werden leidsters op het kinderdagverblijf jarenlang ingezet om de kindjes te leren smeren. Lukte dat, dan kreeg de peuter een smeerdiploma mee naar huis, waarop staat: “smeer je groot met margarine op je brood”. Ook kregen de kinderen een folder voor de ouders mee naar huis. De diploma’s waren versierd met beroepen-figuurtjes, zoals een piloot, brandweerman, ballerina of zangeres. Dezelfde figuurtjes komen terug op slabbetjes, broodtrommels en bordjes die de ouders kunnen sparen of toegestuurd krijgen. Ook is er een beroepenkookboek en kwamen de figuurtjes geruime tijd terug op de actieverpakkingen van Blue Band Goede Start in de supermarkt. In 2013 alleen al ontvingen zo’n 7.000 kinderdagverblijven en peuterspeelzalen ongevraagd het smeerdiploma-pakket. Zo werd het kinderdagverblijf misbruikt als marketingkanaal. Na zeven jaar is Unilever gestopt met het Smeerdiploma, omdat het volgens Unilever ‘tijd is voor een nieuwe manier van het overbrengen van de boodschap’.

Ook McDonalds weet de weg 

De bestaande hiaat in de wetgeving opent ook deuren van scholen en kinderdagverblijven voor bedrijven als McDonalds. Speciaal voor scholen heeft de fastfoodketen, een aantal ‘leerzame’ shows ontwikkeld over sporten en bewegen én over opruimen en veiligheid, gegeven door de clown van McDonalds; Ronald McDonald. De ‘lessen’ van Ronald McDonald gaan dus niet over voeding, maar terwijl de clown de kinderen uitleg geeft over het belang van sporten, pronkt het McDonalds logo op zijn clownkostuum. Meike Rijksen van foodwatch: “Het is onacceptabel dat in een tijd waarin één op de zeven kinderen te dik is, een bedrijf zoals McDonalds onze scholen kan binnendringen. Deze praktijken moeten door de overheid direct aan banden worden gelegd”.

Petitie voor wetgeving
foodwatch wil dat de overheid ingrijpt en een wet maakt die reclame van voedselproducenten op scholen en kinderdagverblijven te allen tijde verbiedt. Consumenten die deze eis ondersteunen kunnen een petitie tekenen op www.foodwatch.nl. Na het zomerreces zal foodwatch de petitie aanbieden aan de Tweede Kamer.

Vluchtige vetzuren uit voedingsvezels gaan overgewicht en diabetes tegen

Vluchtige vetzuren stimuleren de vetverbranding en kunnen obesitas en diabetes behandelen en voorkomen. Dat blijkt uit het proefschrift van moleculair bioloog Gijs den Besten van het UMCG, die op 23 juni promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. De resultaten van het onderzoek ondersteunen het idee om in de preventie en behandeling van ernstig overgewicht en diabetes, vluchtige vetzuren te gebruiken.

Veranderingen in het eetpatroon en een structureel gebrek aan beweging leiden tot een stijgend aantal mensen met ernstig overgewicht en diabetes. Uit eerder onderzoek bleek dat voedingsvezels een positief effect kunnen hebben op onder meer energie-inname, lichaamsgewicht en insulinegevoeligheid. Onbekend was echter nog wat hieraan ten grondslag ligt. In zijn promotieonderzoek heeft Den Besten zich gebogen over de rol die vluchtige vetzuren hierin hebben.

Meer vetten verbranden
De bacteriën die in de darmen aanwezig zijn, zetten voedingsvezels uit bijvoorbeeld volkorenbrood, groenten en fruit om in vluchtige vetzuren. Den Besten onderzocht de werking van de voedingsvezel guargom en de individuele vluchtige vetzuren in muizen. Uit zijn onderzoek blijkt dat de positieve werking van de voedingsvezels sterk samenhangt met de opname van vluchtige vetzuren. De gunstige effecten vinden voornamelijk plaats in de lever en het vetweefsel. Vluchtige vetzuren zetten deze weefsels aan om meer vetten te verbranden in plaats van aan te maken. Hierdoor slaat het lichaam minder vetten op.

Behandelen en voorkomen
Vluchtige vetzuren helpen dus overgewicht en diabetes te voorkomen. Ook blijkt uit zijn onderzoek dat vluchtige vetzuren niet alleen preventief werken, maar ook een bestaande situatie van overgewicht en diabetes kunnen verminderen. De resultaten van het onderzoek van Den Besten geven aan dat het zeer interessant is om vluchtige vetzuren toe te voegen aan een dieet ter voorkoming of behandeling van obesitas en diabetes. Hij adviseert dan ook een klinische studie hieraan te wijden.

Curriculum Vitae
Gijs den Besten (Zeist, 1986) studeerde moleculaire biologie en biotechnologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek in het UMCG onder begeleiding van Prof. dr. Dirk Jan Reijngoud, hoogleraar laboratoriumgeneeskunde, en Prof. dr. Barbara Bakker, hoogleraar medische systeembiologie. De titel van zijn proefschrift is: ‘Elucidating the mechanisms of actions of short-chain fatty acids’. Den Besten deed zijn onderzoek bij de afdeling maag-darm-levergeneeskunde van het UMCG. Het Netherlands Consortium for System Biology heeft het onderzoek gefinancierd. Na zijn promotie gaat Den Besten aan het werk als clinical research associate bij GlaxoSmithKline.
[UMCG]

Staatssecretaris Van Rijn neemt Richtlijnen Gezondere Sportkantines in ontvangst

Mensen willen vaak gewoon gezond eten. Thuis, maar ook in kantines. Als het aanbod in de kantine zichtbaar gezond is, wordt het makkelijker om ook daar een gezonde keuze te maken. Het Voedingscentrum heeft nu richtlijnen voor sportverenigingen ontwikkeld om de kantine te voorzien van een gezonder aanbod, die ook in andere kantines kunnen worden toegepast. Felix Cohen, directeur van het Voedingscentrum, heeft het eerste exemplaar van de Richtlijnen Gezondere Sportkantines overhandigd aan Martin van Rijn, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Ruim de helft van de Nederlanders vindt dat horecagelegenheden bij sportaccommodaties niet mogen verleiden tot het eten van ongezonde snacks en snoep. Tegelijkertijd geeft een derde van de bezoekers van sportkantines aan dat het huidige assortiment meer uit minder gezonde dan gezonde producten bestaat; een vijfde geeft aan dat er (bijna) alleen maar minder gezonde producten in de sportkantine worden verkocht (bron: onderzoek ‘Gezonde kantine?’ door het MulierInstituut, 2013). De nieuwe richtlijnen voor gezondere sportkantines laten sportverenigingen zien dat zij via aanpassingen in het assortiment het bezoekers veel makkelijker kunnen maken om een gezondere keuze te maken. Zijn de gezondere producten goed zichtbaar, aantrekkelijk gepresenteerd en volop voorradig? Dan kiezen mensen die eerder. Deze inzichten zijn op basis van de inbreng van gedragspsychologen en voedingsexperts vastgelegd in de algemene Richtlijnen Gezondere Kantines. Zo wordt ook in kantines de gezondere keuze de gemakkelijke keuze.

Over de Richtlijnen Gezondere Kantines
Het Voedingscentrum heeft de richtlijnen in opdracht van het ministerie van VWS samengesteld. In de Richtlijnen Gezondere Sportkantines zijn 3 niveaus gedefinieerd: Brons, Zilver en Goud. Hoe ‘edeler’ het metaal, hoe gezonder de uitstraling is van het zichtbare aanbod in de kantine. Niet alleen in de uitgestalde producten en in de automaten. Ook de menukaart, het prijsbord en andere uitingen dragen hier positief aan bij. Staatssecretaris Van Rijn nam de Richtlijnen Gezondere Sportkantines in ontvangst vlak voor de mannenfinale van het WK Hockey. De KNHB speelt een voortrekkersrol bij het gezonder maken van sportkantines. Er zijn al 150 sportkantines die willen gaan werken aan een gezonder kantine-aanbod.
Het Ministerie van VWS heeft het Convenant Gezond Gewicht in 2013 gevraagd het project De Gezonde Sportkantine te intensiveren. Deelnemende Convenantpartners zijn NOC*NSF en Koninklijke Horeca Nederland, aangevuld met het Voedingscentrum, MVV Nederland en de KNHB. De jarenlange kennis en ervaring met het gezonder maken van schoolkantines heeft het Voedingscentrum geholpen met het opstellen van deze richtlijnen en met het bieden van een stappenplan aan de sportverenigingen. Scholen kunnen dan ook een inspiratiebron vormen voor sportverenigingen.
[Voedingscentrum]

JDRF doneert $300.000 aan onderzoek naar Type 1 Diabetes van Radboud UMC

jdrf diabetesJDRF (Juvenile Diabetes Research Foundation) heeft een bedrag van 299.410 dollar toegekend aan een programma geleid door Prof. dr Martin Gotthardt (Radboud Universitair Medisch Centrum – Radboud UMC) in samenwerking met dr. Maarten Brom (Radboud UMC). Deze grant wordt uitgereikt in het kader van het onderzoek naar bètacel imaging: een manier om de insulineproducerende cellen in de alvleesklier weer te geven. Dit onderzoek kan van grote invloed zijn op de behandeling van Type 1 Diabetes (T1D).

Onderzoek vormt basis voor betere behandeling van mensen T1D
Maarten de Groot, voorzitter van JDRF Nederland, is erg blij met de uitreiking van deze beurs. “Het onderzoek van Prof. Dr. Gotthardt en Dr. Brom richt zich op het aantonen van bètacellen in de alvleesklier. Bètacellen zijn de insulineproducerende cellen in het lichaam. Hoewel er vroeger anders over werd gedacht, is nu bekend dat ook mensen met T1D bètacellen hebben. Dit onderzoek kan een groot verschil maken op het gebied van de behandeling van T1D, maar heeft ook implicaties voor preventie en regeneratie.”

Prof. Dr. Gotthardt: “dit onderzoek zou in de toekomst de mogelijkheid kunnen bieden om behandelmethoden beter af te stemmen op de patiënt en het aantal werkende bètacellen in de alvleesklier. Met imaging-technieken kan de aanwezigheid van deze belangrijke cellen steeds beter worden aangetoond. We doen dit door middel van een bepaald eiwit (Exendin-3) dat een signaal afgeeft. Dit signaal kan van buitenaf gemeten worden met behulp van een speciale camera. De sterkte van het signaal geeft aan hoeveel bètacellen er nog aanwezig zijn.”

JDRF heeft een strategisch T1D-onderzoeksplan wat erop gericht is om een continue stroom van nieuwe therapieën te leveren. Het onderzoek van Prof. Dr. Gotthardt en dr. Brom wordt gefinancierd als onderdeel van het regeneratieprogramma van JDRF, wat tot doel heeft om ervoor te zorgen dat de bètacellen van mensen met T1D weer gaan werken, en de auto-immuun aanval wordt tegengegaan: kortweg een biologische genezing voor T1D. “Op dit moment zijn er geen middelen beschikbaar om vast te stellen in hoeverre iemand met T1D nog (werkende) bètacellen heeft. Het onderzoek van professor Gotthardt en dr. Brom kan gebruikt worden in een relatief simpele en non-invasieve procedure, en kan daarmee het onderzoek op het gebied van regeneratie versnellen”, aldus Albert HwA, senior wetenschapper van JDRF International.

T1D
In Nederland hebben circa 150.000 mensen T1D, waaronder 15.000 kinderen en jongvolwassenen. T1D is een auto-immuunziekte met levenslang ingrijpende gevolgen. Bij T1D maakt het lichaam geen insuline aan waardoor de bloedglucosespiegel niet meer wordt geregeld. Hierdoor ontstaat het risico op ernstige complicaties zoals hart-, oog en nieraandoeningen, zenuwbeschadigingen en beroertes. Mensen met T1D moeten constant, nauwlettend hun bloedglucosespiegel in de gaten houden en dagelijks meerdere malen insuline-injecties toedienen, of moeten 24/7 een insulinepomp aan het lichaam dragen.

Over JDRF
JDRF is wereldwijd de leidende organisatie als het gaat om wetenschappelijk onderzoek naar het genezen, voorkomen en behandelen van Type 1 Diabetes (T1D). T1D is een auto-immuunziekte waarbij het lichaam cellen vernielt die insuline aanmaken. Sinds de oprichting in 1970 heeft JDRF ruim 2,0 miljard dollar aan T1D-onderzoek gefinancierd in 27 landen, waarvan meer dan 20 miljoen euro in Nederland. Hiermee heeft JDRF bijgedragen aan nagenoeg alle wetenschappelijke vooruitgang op het gebied van deze ziekte. Vanaf eind 2010 heeft Nederland een eigen JDRF-vestiging. Met de resultaten van vandaag draagt JDRF bij aan de hoop voor morgen. Een wereld zonder T1D. Voor meer informatie: www.jdrf.nl

Bewuste eter in verwarring over suiker en zoetstoffen

suikerklontjesOver suiker is veel te doen, vooral bij mensen die gezond willen leven. Het zou ongezond zijn, verslavend en je zou er dik van worden. Op internet circuleren tientallen blogs over de nadelen van suiker en met grote regelmaat verschijnen er artikelen en boeken over suiker en hoe je het uit je leven kan bannen. Niet altijd is duidelijk wie de bron is en hoe betrouwbaar deze is. Ook zoetstoffen worden onveilig genoemd. Dit alles kan leiden tot verwarring en angst bij bewuste eters. Zijn suiker en zoetstoffen nu slecht? Wat voor gevolgen heeft het voor je lichaam?

Het Voedingscentrum schept nu duidelijkheid met ‘De waarheid op tafel’. In een radiospot en op de website De waarheid op Tafel worden een aantal veelgehoorde stellingen over suiker en zoetstoffen beantwoord.

Stelling 1: ‘Ik denk dat gewone frisdrank gezonder is dan light-frisdrank’
Niet waar. Gewone frisdrank bevat veel suiker, waardoor je ongemerkt veel calorieën binnenkrijgt. Light-frisdrank bevat geen of minder suiker. Als je op je gewicht wil letten kun je beter light-frisdrank drinken. Het beste is overigens water, dat is beter voor de tanden die door het zuur worden aangetast. Sommige mensen denken dat light-frisdrank onveilig is vanwege de zoetstoffen die erin zitten, maar die zorgen zijn onterecht. De zoetstoffen zijn uitgebreid getest en voldoen aan alle veiligheidseisen. Er zijn geen negatieve effecten op mensen gevonden, zelfs niet bij langdurig gebruik en grote hoeveelheden.

Stelling 2: ‘Ik denk dat fruitsuikers in een appel gezonder zijn dan toegevoegde suikers’
Niet waar. Het lichaam maakt geen onderscheid tussen van nature aanwezige suikers en toegevoegde suikers. Suikers uit fruit en toegevoegde suikers (kristalsuiker of in producten zoals koekjes en snoep) bestaan allemaal uit de bestanddelen glucose, fructose of een mengsel daarvan. Alle soorten suiker worden door het lichaam op dezelfde manier verwerkt.
Andere vragen over suiker en zoetstoffen worden beantwoord op de De waarheid op Tafel – Suiker.

Hartig ook onder de loep
Op ‘De waarheid op tafel’ is ook een aantal stellingen opgenomen over het thema hartig: zout, smaakversterkers en aromastoffen. Op de website De waarheid op Tafel – Hartig worden veelgehoorde vragen over deze onderwerpen beantwoord. Zoals: ‘Ik denk dat de smaakversterker glutamaat (E621) slecht is voor me’, ‘Ik denk dat zeezout gezonder is dan keukenzout ‘ en ‘Als ik veel gezweet heb moet ik extra zout eten, denk ik.’

Over ‘De waarheid op tafel’
De campagne ‘De waarheid op tafel’ van het Voedingscentrum is in 2013 van start gegaan. Het Voedingscentrum wil mensen aan de hand van een aantal veelgehoorde stellingen aan het denken zetten over voeding. Internet staat vol met informatie over eten en iedereen lijkt zijn eigen waarheid te hebben. Soms is dat onschuldig, maar er circuleren ook veel verhalen over voeding die een te eenzijdig eetpatroon tot gevolg kunnen hebben. Maar hoe onderscheid je als leek de indianenverhalen van de correcte informatie? De website www.voedingscentrum.nl/dewaarheidoptafel biedt antwoord op vragen over bijvoorbeeld brood, vlees, gewicht, eten tijdens de zwangerschap en veilig eten. Ook kunnen bezoekers van de site hun eigen eetkwestie waar zij over twijfelen, indienen. Er worden doorlopend nieuwe thema’s toegevoegd. Bij de beantwoording van alle vragen baseert het Voedingscentrum zich op de wetenschappelijke consensus over het betreffende onderwerp.