Zorgkaart Nederland grootste waarderingssite

zorgverlenerZorgkaart Nederland is nu anderhalf jaar in de lucht. Zorgconsumenten vinden er informatie over zorgverleners. Ze kunnen er ook een oordeel geven over hun zorgverlener. Daar wordt gretig gebruik van gemaakt: met gemiddeld 450.000 bezoeken per maand is Zorgkaart Nederland de grootste waarderingssite van Nederland.

Krachten bundelen
De NPCF werkt voor Zorgkaart Nederland samen met uitgeverij Bohn Stafleu Van Loghum (BSL). Baardman: ‘Hiermee bundelen we de krachten. BSL heeft veel verstand van online uitgeefproducten en technische faciliteiten. Zij beschikken over alle gegevens over de zorg. Tot detailniveau, met een compleet overzicht van artsen per ziekenhuis. De NPCF bracht de klantwaarderingen in’.

Bezoek Zorgkaart Nederland

Apothekers bijten het spits af en maken kwaliteit transparant

MedicijnenEerste individuele zorgverleners die publiekelijk openheid verschaffen over kwaliteit van zorg
Afgelopen week lanceerde de KNMP een kwaliteitsprofiel voor de apotheek via de website Apotheek.nl. Het kwaliteitsprofiel maakt de kwaliteit van zorg die een apotheek levert inzichtelijk voor de patiënt. Apothekers zijn daarmee de eerste individuele zorgverleners die aan het publiek openheid verschaffen over hun kwaliteit van zorg.

Kwaliteit in de apotheek nu zichtbaar
Het KNMP kwaliteitsprofiel bestaat in eerste instantie uit zeven kenmerken. In een overzichtelijke tabel staat aangegeven aan welke van deze kenmerken een apotheek voldoet. De gegevens zijn uit onafhankelijke bronnen samengesteld. De KNMP heeft gebruik gemaakt van kwaliteitsinformatie van instanties als de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het kwaliteitsinstituut Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector en de Centrale Medicatie-incidentenregistratie organisatie.

Deze set kenmerken is dynamisch. Er kunnen kenmerken bijkomen in de loop van het jaar. De KNMP bespreekt regelmatig met apothekers, zorgverzekeraars en patiëntenverenigingen welke aspecten mogelijk nog meer van belang zijn voor de kwaliteit van zorg in de apotheek.

Het kwaliteitsprofiel staat op apotheek.nl, de meest betrouwbare website voor informatie over medicijnen en aandoeningen. En nu dus ook voor de kwaliteit in de openbare apotheken.

Transparante kwaliteit en werken volgens richtlijnen Eerder dit jaar gaven apothekers aan wat zij al voor de patiënt doen en in de toekomst nog gáán doen in hun Witboek Farmacie. De patiënt staat daarin meer dan ooit centraal. De komende jaren zal het aantal oudere patiënten met een complex medicijngebruik sterk stijgen. Met het oog daarop heeft de KNMP nieuwe richtlijnen voor chronische aandoeningen ontwikkeld. Of een apotheek volgens de richtlijnen van de beroepsgroep werkt, wordt gaandeweg meegenomen in het kwaliteitsprofiel.

KNMP voorzitter Jan Smits: “Met het Witboek hebben we als apothekers onze koers bepaald. We kunnen nu echt meters maken. De lancering van het kwaliteitsprofiel sluit aan bij het streven van onze beroepsgroep om de kwaliteit van de farmaceutische zorg beter en transparanter te maken.”

Wilna Wind, directeur van de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie (NPCF):
“”De NPCF wil graag dat informatie over kwaliteit van zorg beschikbaar is voor patienten. Dat maakt de positie van de patient sterker, en geeft hem meer eigen regie. Dat patienten op Apotheek.nl patiënten nu de kwaliteit van hun apotheek kunnen bekijken vinden wij een belangrijke stap in die richting.”

Geneesmiddelen buiten de basisverzekering

medicijnenDe omzet van receptgeneesmiddelen die niet in het basispakket zijn opgenomen, bedroeg in 2010 bijna € 62 miljoen. Daarnaast kwam € 54 miljoen van de uitgaven aan slaap– en kalmeringsmiddelen niet voor vergoeding in aanmerking.

In 2010 verstrekten openbare apotheken 1,1 miljoen keer een receptgeneesmiddel dat geen deel uitmaakt van het wettelijk verzekerd pakket. Hiermee is een omzet gemoeid van € 61,8 miljoen. Dit is vrijwel gelijk aan het bedrag in 2009.

Niet vergoed
Bijna een derde van de uitgaven aan receptplichtige middelen buiten het pakket gaat op aan geneesmiddelen bij erectiestoornissen. Het aantal verstrekkingen daarvan nam in 2010 met bijna 4% toe tot ruim 300.000. Sildenafil (Viagra) is binnen deze groep met 160.000 verstrekkingen nog altijd koploper. Het aantal verstrekkingen is echter vrijwel gelijk aan dat in 2009. Tadalafil (Cialis) en vardenafil (Levitra), met respectievelijk 125.000 en 23.000 voorschriften, zijn verantwoordelijk voor de groei in deze groep.

Geneesmiddelen ter voorkoming van malaria (reizigersprofylaxe) maken een zesde deel uit van de uitgaven van geneesmiddelen waarop geen aanspraak op vergoeding uit de basisverzekering bestaat. Apotheken verstrekten in 2010 deze middelen 158.000 keer. Dit aantal vertoont weer een stijgende lijn na de dalingen in 2008 en 2009 die waarschijnlijk het gevolg waren van de economische crisis. Malarone, een combinatiepreparaat met proguanil en atovaquon, is het vaakst afgeleverd: bijna 127.000 keer. Overigens wordt een deel van deze middelen wel vergoed als mensen eenmaal aan malaria lijden.

Ook geneesmiddelen ter ondersteuning van stoppen met roken kwamen in 2010 niet voor vergoeding uit de basisverzekering in aanmerking. Varenicline (Champix) en bupropion (Zyban) vormden een achtste deel van de totale uitgaven aan receptplichtige middelen buiten het pakket. Samen waren ze in 2010 goed voor bijna 135.000 verstrekkingen; een toename van 11% ten opzichte van 2009. Met ingang van 2011 behoort de begeleiding bij stoppen met roken tot het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Dit geldt ook voor bovengenoemde middelen, doch uitsluitend in combinatie met gedragsmatige ondersteuning. In de genoemde cijfers van bupropion zijn die van Wellbutrin niet meegenomen. Wellbutrin bevat ook bupropion. Deze is echter, ook in dezelfde sterkte, geregistreerd als antidepressivum. Wellbutrin wordt wel vergoed. Het aantal afleveringen nam toe van 43.000 in 2009 tot 59.000 in 2010.

Voorwaardelijk vergoed
Naast de geneesmiddelen die niet in het wettelijk verzekerde pakket zijn opgenomen, zijn er ook die voorwaardelijk wel voor vergoeding in aanmerking komen. De middelen en de voorwaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de Regeling zorgverzekering. Sinds 2009 staan de slaap– en kalmeringsmiddelen van het benzodiazepine type op deze bijlage 2. Van de 10,9 miljoen keer dat de apotheken ze in 2010 verstrekten, kwam 68% niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor betaalden de gebruikers gezamenlijk € 54,2 miljoen. Oxazepam en temazepam zijn samen verantwoordelijk voor meer dan de helft van dit bedrag.

Statines
Cholesterolverlagers kwamen al enige jaren alleen voorwaardelijk voor vergoeding in aanmerking, maar met ingang van 2009 zijn de voorwaarden aangescherpt. Vanaf die datum mogen verzekeraars statines uitsluitend vergoeden als de behandeling plaatsvindt overeenkomstig de richtlijnen van de beroepsgroepen. Dit betekent dat een behandeling in de regel met simvastatine of pravastatine moet beginnen. Tot dusver heeft deze wijziging in de voorwaarden wel geleid tot sterke verschuivingen in de marktaandelen van de verschillende statines, maar niet merkbaar tot betalingen door verzekerden zelf.
[Stichting Farmaceutische Kengetallen]

Verandering aanpak zorg voor COPD- en astmapatiënten komt langzaam op gang

astmaCOPD- en astmapatiënten merken nog weinig van de nieuwe ‘programmatische aanpak’ in de zorg die zij krijgen. De samenwerking, afstemming en ondersteuning van zorgverleners moet en kan beter. Vooral bij oudere patiënten.

De zorg voor chronisch zieken moet beter en efficiënter. Daarom is in Nederland gekozen voor een programmatische aanpak, waarin een multidisciplinair team van zorgverleners, zorg en ondersteuning verleent en de patiënt centraal staat. Van patiënten wordt in de nieuwe opzet verwacht dat zij zelf een actieve rol op zich nemen en zoveel mogelijk regisseur zijn van de zorg die zij krijgen. Zorgverleners ondersteunen patiënten daarbij. Voordat mensen met COPD en ernstig astma klaar zijn voor een actieve rol zijn nog wel wat extra inspanningen van zorgverleners nodig. Het ontbreekt veel patiënten nu nog aan informatie en overzicht, zo blijkt uit onderzoek van het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) dat is uitgevoerd met subsidie van het Astma Fonds.

Geen behandelplan
Wellicht gaat de overgang naar de nieuwe programmatische aanpak ook te snel. Zo geeft slechts 12% van de mensen met COPD aan een behandelplan te hebben en mist een grote groep patiënten het overzicht over de zorg: ze weten niet welke zorgverlener waarvoor verantwoordelijk is. Bij de zorg zijn vaak meerdere zorgverleners betrokken zoals de praktijkondersteuner, gespecialiseerd longverpleegkundige, fysiotherapeut, huisarts en longarts. Bijna één op de drie patiënten vindt dat de samenwerking tussen de verschillende hulpverleners nog niet goed verloopt.

Vaardigheden
Ook blijkt de regie over de ‘eigen zorg’ niet voor iedere patiënt weggelegd. Zo raakt één op de drie patiënten in paniek bij acute benauwdheid en weet dan niet wat te doen. Een derde van de patiënten neemt medicijnen niet altijd op de juiste manier in, en een vijfde vindt het moeilijk met artsen te communiceren en wil hierbij extra hulp. Verder krijgen nog niet alle patiënten die daar baat bij zouden hebben informatie over leefstijlfactoren als bewegen, voeding en stoppen met roken. Hier liggen taken voor de zorgverlener maar ook voor patiënten en voor de organisaties die hen vertegenwoordigen.

Op weg helpen
“De programmatische zorg komt langzaam op gang en vraagt om een verandering van houding bij zowel zorgverlener als patiënt”, stelt NIVEL-onderzoeker Monique Heijmans. “Vroeger ging een patiënt met vragen naar de dokter en die regelde alles. Nu moet een patiënt een actievere rol spelen. Dat moet je faciliteren, patiënten een beetje op weg helpen. Er gebeurt de laatste jaren veel op dit gebied. Er is al een zorgstandaard voor COPD, voor astma is deze in ontwikkeling en het Astma Fonds komt binnenkort met een individueel zorgplan voor mensen met COPD. Nu zien we de inspanningen voor een meer programmatische zorg nog niet terug in de ervaringen van patiënten, maar wellicht dat daar met de invoering van zorgstandaarden en het individueel zorgplan snel verandering in komt.”
[NIVEL]

MRI-scanner spoort minuscule hersenbloedinkjes op

hersenenVia een krachtige 7T-MRI-scanner zijn beschadigde bloedvaatjes in de hersenen op te sporen. Deze beschadigingen zijn wellicht de opmaat tot dementie. Radioloog-in-opleiding Mandy Conijn beschrijft dat in haar proefschrift. Zij promoveerde op 28 april aan de Universiteit Utrecht.

Radioloog-in-opleiding Mandy Conijn beeldde kleine bloedvaten in de hersenen af met de krachtige 7T-MRI-scanner. Zij speurde naar ‘microbloedingen’: rode bloedcellen die gelekt zijn uit kleine vaatjes in hersenen. De aanwezigheid van zulke microbloedingen kan wijzen op slecht functionerende bloedvaten (‘small vessel disease’). Deze ziekte van bloedvaten in de hersenen is waarschijnlijk een van de oorzaken van cognitieve achteruitgang en dementie. Dat geldt vooral voor patiënten met aderverkalking.

Conijn bracht de bloedvaatjes in beeld bij ruim dertig proefpersonen, voornamelijk mannen, van gemiddeld 59 jaar met ernstige aderverkalking (deelnemers van het SMART-onderzoek van het UMC Utrecht). Ze beeldde de vaatjes af met zowel de 1,5T- als de 7T-scanner. Met de 1,5T-scanner zag Conijn in totaal 15 microbloedingen bij 20 procent van de patiënten. Met de 7T-scanner spoorde ze 36 microbloedingen op bij 50 procent van de patiënten.
Krachtige scanner

Met de 7T-scanner zijn microbloedingen in de hersenen beter te zien dan met de gangbare 1,5T-scanner. “Deze resultaten betekenen dat de 7T-scanner geschikt kan zijn om small vessel disease in een vroeg stadium op te sporen”, stelt Conijn. “Onderzoek naar microbloedingen is grotendeels gebaseerd op beelden van 1,5T-scanners. Waarschijnlijk geven die een onderschatting van het werkelijke aantal microbloedingen, ze laten slechts het topje van de ijsberg zien.”

Maar het is nog onduidelijk hoe belangrijk het afbeelden van microbloedingen voor de dagelijkse medische praktijk is. “Aangezien dit de eerste resultaten zijn op basis van de 7T-scanner, hebben we meer onderzoek nodig om het te bevestigen. De krachtige scanner zal voorlopig nog niet voor standaard-controles van bloedvaatjes in de hersenen ingezet worden.”

Het UMC Utrecht heeft sinds 2007 een MRI-scanner van 7 Tesla. Tesla is een maat voor de sterkte van het magneetveld en daarmee voor de kwaliteit van de scanner. In Nederland staan slechts twee van deze krachtige scanners, de meeste scanners zijn 1,5 of 3 Tesla sterk.

Conijn promoveert als eerste in Nederland op patiëntenonderzoek met een 7T-MRI-scanner. Zij promoveerde op 28 april aan de Universiteit Utrecht. Prof. dr. Willem Mali, prof. dr. Peter Luijten, dr. Jeroen Hendrikse en dr. Mirjam Geerlings van het UMC Utrecht begeleidden haar onderzoek.
[Universiteit Utrecht]

Stand van zaken ziektemeldingen Q-koorts – 28 april 2011

q-koortsIn 2011 zijn 29 personen met Q-koorts gemeld. Van deze 29 personen werden er 16 ziek in 2011. Dit blijkt uit de nieuwste cijfers van het RIVM.

In 2010 werden in totaal 506 zieken gemeld. Van deze 506 werden er 398 in 2010 ziek. 108 personen hadden hun eerste ziektedag in 2009 of de jaren daarvoor en van enkele gevallen is niet bekend wanneer zij precies ziek werden. In 2009 bedroeg het aantal meldingen nog 2354.

Sterfgevallen
In 2011 is 1 sterfgeval gerelateerd aan Q-koorts gemeld bij het RIVM. De patiënt leed aan chronische Q-koorts en had daarnaast andere medische problemen.

In 2010 zijn 11 sterfgevallen gerelateerd aan Q-koorts gemeld bij het RIVM. Bij deze patiënten was sprake van chronische Q-koorts waarbij de infectie in voorgaande jaren was opgelopen. Bij de patiënten was tevens sprake van onderliggende medische problematiek

Zorgverzekeraars besparen 113 miljoen euro door controle- en fraudebeleid

ZorgpremieZorgverzekeraars hebben in 2010 113 miljoen euro bespaard door hun controle- en fraudebeleid. 6,2 miljoen euro hiervan betreft het fraudebeleid: zorgverzekeraars hebben vorig jaar 366 fraudes vastgesteld, met een gemiddeld bedrag van 17.088 euro. Uit de jaarlijkse inventarisatie van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) onder haar leden blijkt dat fraudezaken over de jaren steeds complexer en moeilijker te bewijzen zijn. Zorgverzekeraars hebben in 2010 veel maatregelen getroffen om fraude te voorkomen, op te sporen en te sanctioneren. Daarnaast is ZN bezig met het opzetten van het Kenniscentrum Fraudebeheersing in de Zorg.

De fraude is voornamelijk gedetecteerd in de Zorgverzekeringswet (basisverzekering): 2,9 miljoen euro. In de AWBZ is het bedrag 2,1 miljoen euro. De resterende 1,2 miljoen is gedetecteerd in de aanvullende zorgverzekering. Het gedetecteerde fraudebedrag is vrijwel gelijk verdeeld tussen zorgaanbieders, verzekerden en derden. Fraude onder zorgaanbieders is voornamelijk gedetecteerd in de mondzorg, bij paramedici en bij overige zorgaanbieders (o.a. ambulancezorg, PGB en hulpmiddelen).

Complex en moeilijk te bewijzen
In 2010 zijn minder vermoedens van fraude onderzocht, minder fraudes vastgesteld en is het gemiddelde fraudebedrag lager dan in voorgaande jaren. Dit heeft twee oorzaken. Op de eerste plaats zijn de fraudezaken steeds complexer, met als gevolg een grotere doorlooptijd en meer capaciteit per onderzoek. Op de tweede plaats zijn fraudezaken steeds moeilijker te bewijzen. Er is pas sprake van fraude als bewezen kan worden dat de declaratie opzettelijk onterecht is ingediend.

Fraudemaatregelen zorgverzekeraars
Om fraude te voorkomen informeren zorgverzekeraars verzekerden en zorgaanbieders actief over fraudebeheersing en maken zij gebruik van risicoanalyses, interne voorlichting en functiescheiding. Daarnaast past ruim 70% van de zorgverzekeraars geautomatiseerde fraudedetectietechnieken toe voor opsporing. Ook hebben veel zorgverzekeraars specifieke teams voor fraudebeheersing en een plan van aanpak voor interne fraude.

Kenniscentrum Fraudebeheersing in de Zorg
Het Kenniscentrum Fraudebeheersing in de Zorg heeft als doel betere samenwerking, informatie-uitwisseling en communicatie aangaande fraudebeheersing tussen zorgverzekeraars onderling en met andere stakeholders. Het kenniscentrum zal actief zijn op het gebied van coördinatie, branchebrede analyse, nieuwsvoorziening en opleidingen. Het kenniscentrum start naar verwachting medio 2011 en wordt stapsgewijs ingevoerd.

Minder uitstrijkjes nodig na behandeling voorstadium baarmoederhalskanker

baarmoederhalskankerVrouwen, behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, zouden niet alleen met een uitstrijkje, maar ook met een HPV-test moeten worden gecontroleerd. Bij meer dan de helft van deze vrouwen kan dan het aantal vervolgbezoeken aan het ziekenhuis naar beneden. Dat is de conclusie van een studie die vandaag door onderzoekers van VU medisch centrum en het Erasmus MC online in Lancet Oncology is gepubliceerd.

Alle 6.000 vrouwen in Nederland die jaarlijks worden behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, krijgen na 6, 12 en 24 maanden een controle-uitstrijkje in het ziekenhuis. Ruim de helft van deze vrouwen zou echter slechts twee vervolgonderzoeken hoeven te ondergaan, blijkt uit een studie van VUmc en Erasmus MC.

In de studie kreeg een groep van ruim 400 behandelde vrouwen na 6 maanden niet alleen een uitstrijkje, maar ook een HPV-test. Was de uitslag van deze gecombineerde test goed, dan verviel het testmoment op 12 maanden en werd deze combi-test na 24 maanden herhaald. Als deze test ook goed was, dan konden de vrouwen terugverwezen worden naar het ‘gewone’ bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker. Het risico op het ontwikkelen van nieuwe afwijkingen aan de baarmoedermond was dan de komende vijf jaar namelijk zelfs lager dan het risico van behandelde vrouwen met drie achtereenvolgende goede uitstrijkjes. In het bevolkingsonderzoek worden alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar iedere 5 jaar gecontroleerd op afwijkende cellen van de baarmoedermond door een uitstrijkje.

Bij ruim de helft van de vrouwen was de uitslag van de gecombineerde testen beide keren goed. Daarmee hoeven jaarlijks zo’n 3.000 Nederlandse vrouwen maar twee, in plaats van drie keer terug te komen voor vervolgonderzoek na behandeling voor een voorstadium van baarmoederhalskanker. En voor vrouwen in Duitsland en Engeland hebben deze studieresultaten nog meer gevolgen: deze worden nu 5 jaar achter elkaar met een uitstrijkje gecontroleerd en dit kan nu achterwege blijven.