Oogarts Schlingemann wint Diabetes Fonds Onderzoeksprijs

oogProfessor dr. Schlingemann heeft de Diabetes Fonds Onderzoeksprijs gewonnen:: 50.000 euro voor meer onderzoek. Reinier Schlingemann (AMC Amsterdam) legde de basis voor een betere behandeling van oogproblemen bij diabetes. Een vakkundige jury onder voorzitterschap van prof. Gerlach Cerfontaine koos Schlingemann uit twee genomineerde kandidaten.

Twee genomineerde topwetenschappers presenteerden vandaag in het Centraal Museum in Utrecht hun werk. Naast prof. Schlingemann was ook prof. dr. Guy Rutten (UMC Utrecht) genomineerd.

De Diabetes Fonds Onderzoeksprijs werd voor de tweede keer uitgereikt en is een erkenning van onderzoek dat helpt het leven van diabetespatiënten te verbeteren. De prijswinnaar kreeg 50.000 euro voor onderzoek en een bronzen beeld van kunstenares Rini Dado.

Het was een moeilijke keuze voor de jury, want beide onderzoekers hebben belangrijke verbeteringen bereikt voor mensen met diabetes. Eigenlijk verdienden ze beiden de prijs. Uiteindelijk is voor Schlingemann gekozen met zijn baanbrekende werk voor de behandeling van slechtziendheid. Oogproblemen zijn voor veel mensen met diabetes een schrikbeeld: mensen die blind zijn zouden zelfs driekwart van hun resterende jaren willen opgeven om weer te zien, zo bleek uit onderzoek.

Schlingemann bedankte zijn hele onderzoeksteam, de jury voor het vertrouwen in het oogonderzoek en ook het Diabetes Fonds. “Al vijftien jaar steunt het Diabetes Fonds mijn onderzoek naar ogen. Dat is belangrijk geweest voor ons bereikte succes. Ik hoop dat we nog veel meer onderzoek kunnen doen. Want de missie van het Diabetes Fonds is dan wel ‘diabetes de wereld uit’, maar voor het geval dat dat niet zo snel lukt, is mijn motto: diabetische oogproblemen de wereld uit!”

De prijs van 50.000 euro wil Schlingemann besteden aan verder onderzoek naar de behandeling met medicijnen die vaatgroei en littekenvorming in het oog afremmen.
[Diabetes Fonds]

Universiteit Utrecht en UMC Utrecht bundelen hersenonderzoek

hersenenHet UMC Utrecht en de Universiteit Utrecht bundelen hun cognitie- en hersenonderzoek in ‘Neuroscience & Cognition Utrecht’. Het loopt van taalkunde en psychologie naar bèta-wetenschap en medisch onderzoek. Vrijdag 23 april start NC Utrecht met een wetenschappelijk symposium.

Het samenwerkingsverband Neuroscience & Cognition Utrecht omvat ruim tweehonderd wetenschappers en bijna driehonderd promovendi van het UMC Utrecht en de Universiteit Utrecht. Vijf faculteiten en drie onderzoeksinstituten nemen deel aan de samenwerking. Centraal staan drie doelstellingen: onderzoekssamenwerking tussen de verschillende disciplines; het opzetten van gezamenlijk onderwijs, onder meer via summer schools; en het delen en versterken van onderzoeksfaciliteiten zoals de 7T MRI scanner van het UMC Utrecht.

Marian Joëls, hoogleraar Neurowetenschappen aan de Universiteit Utrecht, is voorzitter van NC Utrecht. “In Utrecht hebben we een enorme concentratie aan cognitie- en neurowetenschappelijk onderzoek, waar we processen die met de hersenen te maken hebben in de volle breedte bestuderen. De clustering in NC Utrecht maakt ons in Nederland goed zichtbaar en versterkt de interne samenwerking.”

Tepelvocht kan borstkanker mogelijk eerder aantonen

borstBij vrouwen met borstkanker kunnen onderzoekers van het UMC Utrecht de diagnose bevestigen via analyse van tepelvocht. Grootschalig onderzoek moet uitwijzen of tepelvocht borstkanker kan aantonen vóór het zichtbaar is via andere methoden. Karijn Suijkerbuijk promoveerde 22 april aan de Universiteit Utrecht op dit onderzoek dat zij uitvoerde bij het UMC Utrecht.

In haar promotieonderzoek analyseerde Karijn Suijkerbuijk het tepelvocht van negen vrouwen bij wie net borstkanker was vastgesteld. Ze vergeleek dit met 21 vrouwen met een sterk vergrote kans op borstkanker, bijvoorbeeld omdat ze draagster zijn van de borstkankergenen BRCA1 of BRCA2. Ter controle analyseerde Suijkerbuijk 63 gezonde vrijwilligers. Het tepelvocht wordt verkregen via kolven, een eenvoudige procedure die minder belastend is dan een MRI-scan, of een röntgenfoto.

“We vinden in het tepelvocht duidelijke verschillen tussen vrouwen mét en zónder borstkanker”, stelt Suijkerbuijk. “Dat is nog maar het begin. We hopen in de toekomst via tepelvocht borstkanker op te sporen in een stadium waarin het nog niet zichtbaar is via bijvoorbeeld een MRI-scan of een röntgenfoto. Daarom loopt nu in het UMC Utrecht een groot onderzoek waarbij we 350 vrouwen volgen. Bij hen nemen we jaarlijks tepelvocht af en zoeken we naar specifieke veranderingen in cellen die erop wijzen dat borstkanker aan het ontstaan is. Pas als dat lukt kan jaarlijkse tepelvochtanalyse onderdeel worden van de standaard screening op borstkanker.” In het onderzoek volgen artsen van het UMC Utrecht vrouwen met een hoog risico op borstkanker nu al twee jaar met het afnemen van tepelvocht, maar de studie loopt nog jaren door.

In het tepelvocht kijkt Suijkerbuijk naar methyleringspatronen in het DNA. Methylering van DNA is een chemische verandering die genen ‘aan’ en ‘uit’ kan zetten. In het ontstaan van borstkanker worden genen uitgeschakeld die kanker onderdrukken. Als deze genen ‘uit’ staan kan dat dus het eerste teken van het ontstaan van borstkanker zijn.

Karijn Suijkerbuijk promoveerde op 22 april aan de Universiteit Utrecht. Patholoog prof. dr. Paul van Diest, oncoloog prof. dr. Elsken van der Wall en moleculair bioloog dr. Marc Vooijs begeleidden haar onderzoek.

Dit project is uitgevoerd met financiële steun van KWF Kankerbestrijding, ZonMW, IKMN, American Women’s Club of the Hague en A Sister’s Hope.

Mexicaanse griep: 17.853 doden wereldwijd

Mexicaanse griepIn totaal zijn er al minstens 17.853 mensen aan de Mexicaanse griep overleden. Dat maakte de Wereldgezondheidsorganisatie vrijdag bekend.

De Mexicaanse griep verloopt in de meeste gevallen mild, en is vergelijkbaar met de seizoensgriep. Iemand met Nieuwe Influenza A is gemiddeld een week ziek. Ook zonder medicijnen te gebruiken worden mensen met deze griep meestal weer snel beter. Voor bepaalde groepen mensen kan de griep echter ernstiger verlopen.

Nauwelijks tot geen bewijs voor betrokkenheid eerder gevonden genen bij depressie

Meer dan vijftig genen blijken niet betrokken te zijn bij het ontstaan van depressie, in tegenstelling van wat eerdere studies beweerden. Dit blijkt uit een recente studie van een onderzoeksgroep van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Dit betekent dat veel onderzoek naar de achtergronden van depressie, jarenlang op een verkeerde veronderstelling is gebaseerd. Zij publiceren hierover in het toonaangevende blad Molecular Psychiatry van deze maand.

De onderzoeksgroep deed een uitvoerige studie naar de vraag of 57genen waarvan eerder was gerapporteerd dat ze betrokken waren bij depressie, dat inderdaad zijn. Het gaat om een omvangrijk onderzoek, waarbij in één keer het hele genenprofiel van ongeveer 1800 depressieve patiënten en 1800 gezonde personen, met elkaar is vergeleken. Via drie verschillende analysemethoden werd de betrokkenheid bij depressie van slechts vier van deze 57 genen min of meer bevestigd. Voor de betrokkenheid bij depressie van de andere 53 genen werd dus geen bewijs gevonden. Dit is opmerkelijk omdat meerdere studies het verband tussen die 53 genen en depressie hadden gevonden. Deze recente studie is aanmerkelijk groter dan alle eerdere onderzoeken, die een gemiddelde grootte hadden van ongeveer 160 patiënten en 250 controlesMogelijke verklaringen voor deze tegengestelde uitkomst zijn het complexe karakter en de verschillende verschijningsvormen van een depressie.

Ook de mogelijke omgevingsfactoren die bepalen of een gen wel of niet tot expressie komt (de zogenaamde gen-omgevingsinteractie), kunnen een rol hebben gespeeld. De uitkomst van de studie van de onderzoekers van het UMCG maakt in ieder geval duidelijk hoe weinig er feitelijk nog maar bekend is over de genen die betrokken zijn bij depressie.

Een andere mogelijke verklaring voor dit op het eerste oog teleurstellende resultaat is dat eerdere positieve bevindingen feitelijk toevalsbevindingen waren die wel tot wetenschappelijke publicaties hebben geleid, terwijl eerdere negatieve bevindingen minder kans hadden gepubliceerd te worden. Dit wordt in onderzoekerskringen het fenomeen van ‘publicatiebias’ genoemd. Het is zelfs niet uit te sluiten dat de vier in dit nieuwe onderzoek bevestigde genen in toekomstig onderzoek op hun beurt ook niet bevestigd kunnen worden.
[UMCG]

Diabetesmiddel lijkt een vermindering van het risico op borstkanker te geven

diabetesVrouwen die het medicijn metformine diabetes langer dan vijf jaar gebruiken lijken een lager risico op borstkanker te hebben dan vrouwen met diabetes die andere middelen gebruiken. Zo blijkt uit een recente studie van Merck Serono. De studie, werd gepubliceerd in het tijdschrift Diabetes Care, en draagt bij aan het bewijs dat metformine, positieve neveneffecten lijkt te hebben op de ontwikkeling van kanker.

Een aantal epidemiologische studies hebben al aangetoond dat bij mensen met type 2 diabetes, en die metformine gebruiker een geringer risico op het krijgen van bepaalde kankers bestaat. En een recente studie bij muizen bleek dat het toevoegen van metformine aan een geneesmiddel genaamd doxorubicine, chemotherapie, effectiever was dan andere medicamenteuze behandeling van borsttumoren. Onderzoekers aan de Harvard University ontwikkelen een grootschalige klinische studie om te testen of het gebruik van metformine na een standaard behandeling voor vroege borstkanker helpt voorkomen dat de kanker terugkeert.

In de huidige studie, vonden de onderzoekers dat er bij meer dan 1.400 Britse vrouwen die metformine gebruiken. En na 5 jaar gebruik 56 procent minder kans op borstkanker werd geconstateerd dan vrouwen die geen metformine gebruiken. De mogelijk positieve effect van metformine was echter gebaseerd op een klein aantal vrouwen. Slechts 17 vrouwen hadden metformine langer  dan vijf jaar gebruikt met een diagnose van borstkanker. Dus echte conclusies kon  dr. Christoph R. Meier van het Universitair Ziekenhuis Basel in Zwitserland nog niet trekken.

De bevindingen zijn gebaseerd op de medische dossiers van de Britse vrouwen tussen de leeftijden van 30 en 79 die werden behandeld voor diabetes type 2. De onderzoekers onderzochten 305 vrouwen die waren gediagnosticeerd met borstkanker, die werden vergeleken met drie of vier kanker-vrije vrouwen van dezelfde leeftijd. Dit onderzoek kan wijzen op een verband tussen twee factoren – in dit geval, metformine gebruik en het risico op borstkanker – maar is onvoldoende bewijs dit zo ook te concluderen.

Het onderzoek suggereert ook dat metformine  tumorgroei zou remmen door middel van haar activiteiten op een enzym. De studie werd gefinancierd door Merck Serono.
[Reuters, Diabetes Care via Medicalfacts]

Albert Heijn steunt wijkaanpak met gezonde KlasseLunch op basisschool

banaanBijna 130.000 leerlingen van groep 8 van basisscholen uit heel Nederland hebben donderdag 22 april een gratis een KlasseLunch aangeboden gekregen. Deze gezonde lunch is een initiatief van Albert Heijn en laat leerlingen op een originele manier ervaren dat gezond eten niet alleen lekker, maar ook gezellig kan zijn. Het ministerie voor WWI heeft dit jaar de KlasseLunch extra onder de aandacht gebracht bij scholen in aandachtswijken. Met als resultaat dat de deelname in die wijken dit jaar met meer dan 25 procent is gegroeid van 237 naar 291 scholen.

.In de aandachtswijken leven mensen gemiddeld zes jaar korter dan in de rest van Nederland. Het is daarom belangrijk dat mensen op jonge leeftijd een gezond eet- en beweegpatroon ontwikkelen. Vooral in deze tijd waarin overgewicht en welvaartsziekten een toenemend probleem vormen. De ministeries van WWI en VWS zetten zich in voor het verbeteren van de gezondheid van inwoners in deze aandachtswijken. Goede voeding en een gezonde leefomgeving zijn daar een belangrijk onderdeel van.

.Albert Heijn organiseert de KlasseLunch dit jaar voor de vijfde keer: dit betekent dat in de afgelopen jaren al zo’n 500.000 gezonde lunches zijn uitgedeeld. Ruim 4600 basisscholen kunnen op donderdag 22 april bij hun plaatselijke Albert Heijn een uitgebreid lunchpakket ophalen. Om de leerkrachten de kans te geven de KlasseLunch inhoudelijk voor te bereiden ontvangen ze lesmateriaal dat speciaal voor dit doel is ontwikkeld met advies van het Voedingsentrum. De lunch in de klas maakt deel uit van het overkoepelende Ik eet het beter-programma. Binnen dit programma organiseert Albert Heijn elk schooljaar verschillende initiatieven om kinderen van groep 6, 7 en 8 aan te zetten gezonder te eten.

.Albert Heijn is één van de 50 partners in de Landelijke Alliantie Krachtwijken. Deze alliantie heeft als doelstelling een bijdrage te leveren aan de verbetering van de leefbaarheid in de aandachtswijken. De minister voor WWI en Albert Heijn spraken vorig jaar af dat de supermarktketen zich in de aandachtswijken extra gaat inspannen voor de buurt. De groei van de deelname van de basisscholen in aandachtswijken aan de KlasseLunch is een mooi resultaat van dit samenwerkingsverband.

Gevolgen levertransplantatie bij kinderen onderzocht

zorgverlenerKinderen die al op jonge leeftijd een levertransplantatie hebben moeten ondergaan, kunnen ook op latere leeftijd bijwerkingen hiervan ondervinden. Kinderarts René Scheenstra van het Universitair Medisch Centrum Groningen onderzocht de gevolgen van verschillende immuunsuppressieve behandelingen. Hij ging na in hoeverre er op lange termijn bijwerkingen zijn en volgde het weefsel van het transplantatie-orgaan na levertransplantatie op de kinderleeftijd.

Uit Scheenstra’s onderzoek blijkt onder andere dat de groeivertraging na een levertransplantatie bij kinderen voornamelijk zijn oorsprong vindt in de periode vóór die transplantatie. Na de levertransplantatie is er inhaalgroei bij de jongste en meest groeivertraagde patiënten. Ook deed hij een studie in de weefsels van de getransplanteerde lever tot tien jaar na de transplantatie. Hieruit blijkt dat in bijna 70% van de getransplanteerde organen milde tot ernstige fibrose was ontstaan.

René Scheenstra (Heerenveen, 1963) studeerde geneeskunde aan de RUG en is kinderarts in het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hij deed zijn onderzoek in het Beatrix Kinderziekenhuis van het UMCG.