Groot draagvlak voor bevolkingsonderzoek darmkanker

DarmenSpecialisten en onderzoekers zijn het allemaal eens: zo snel mogelijk een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker invoeren. ‘Hoe meer we vinden in een vroeg stadium, hoe beter de prognose.’ Ook de opkomst onder 50-plussers bij een proefbevolkingsonderzoeken bleek opvallend hoog. Na de zomer besluit de Gezondheidsraad welke methode voor darmkankeronderzoek het meest effectief is.

Tienduizenden Nederlanders tussen de 50 en 75 jaar zijn de afgelopen jaren in Amsterdam, Rotterdam, Nijmegen en Maastricht opgeroepen om zich preventief te laten onderzoeken. Specialisten zijn aangenaam verrast door de bereidheid van 50-plussers zich te laten screenen op darmkanker: ‘Nederlanders willen dit graag’, constateert Leo van Rossum, die binnenkort aan het UMC St. Radboud promoveert op onderzoek naar darmkanker screening.

Bij het onderzoek is gebruikt gemaakt van vijf verschillende methoden variërend van bloedonderzoek, scans, ontlastingsonderzoek en kijkonderzoek in verschillende delen van de darm. De methodes verschillen in effectiviteit en gebruiksvriendelijkheid: Hoe vervelender de test, hoe meer afwijkingen er worden gevonden, maar ook hoe lager de opkomst is. Zo was de deelnamegraad bij het kijkonderzoek in Rotterdam de helft lager dan bij de ontlastingtesten: van de vijfduizend 50-plussers verscheen 32 procent.

Toenemend aantal darmkankerpatiënten
Jaarlijks wordt bij 6.500 mensen tussen 50 en 75 jaar darmkanker vastgesteld. Ernst Kuipers, hoogleraar maag-darm-en leverziektes aan het Erasmus MC wijst op het toenemende aantal darmkankerpatiënten: ‘Hoe meer we vinden in een vroeg stadium, hoe beter de prognose. Bij de behandeling van darmkanker kunnen we steeds meer, maar het is wel zeer kostbaar. Volgens Kuiper is het screenen van 4,5 miljoen Nederlanders tussen de 50 en 75 jaar uiteindelijk minder kostnbaar dan afwachten tot een deel van deze doelgroep kanker krijgt en dan behandeld moet worden.

De proefbevolkingsonderzoeken moesten duidelijk maken of er – net als bij andere landen – een landelijke screening kan worden opgezet.De gezondheidsraad geeft na de zomer een advies over de beste screeningsmethode. Een landelijke invoering van een methode waartegen tweederde van de deelnemers bezwaar heeft, is moeilijk. In Nijmegen, Amsterdam, Rotterdam en Maastricht gaan ze ervan uit dat het om de ontlastingtest zal gaan of de sigmoïdoscopie (kijkonderzoek in het onderste deel van de dikke darm).
[KEF]

Dure geneesmiddelen in ziekenhuizen

Pillen De uitgaven aan dure geneesmiddelen in ziekenhuizen namen in 2007 met 19% toe tot € 318 miljoen. Verreweg het grootste deel van deze stijging is toe te schrijven aan vier middelen die gerekend worden tot de immunomodulantia. De uitgaven aan wees geneesmiddelen namen toe met bijna 29 miljoen tot ruim € 37 miljoen.

Ziekenhuizen ontvangen vanaf 2006 via beleidsregels additionele budgettaire compensatie van 80% voor de netto-inkoopkosten van dure geneesmiddelen en 100% voor wees geneesmiddelen. Om meer zicht te krijgen op de groeiende kosten van dure- en weesgeneesmiddelen heeft de minister van VWS in overleg met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers besloten een kostenmonitor voor dure- en weesgeneesmiddelen op te zetten. De Stichting Farmaceutische Kengetallen heeft onlangs de monitor over het jaar 2007 uitgebracht.

Uitgavenstijging
De totale kosten ten laste van de Beleidsregel dure geneesmiddelen kwamen in 2007 uit op een bedrag van € 317,6 miljoen. Het gaat hierbij om de totale netto-inkoopkosten zoals gemaakt door algemene, academische en categorale instellingen. In 2006 kwamen deze kosten uit op € 266,0 miljoen, een toename van 19,4%. Deze stijging is beduidend lager dan over 2005 en 2006. In die beide jaren namen de uitgaven aan dure geneesmiddelen met 43% toe ten opzichte van het jaar daarvoor.
Net als in eerdere jaren namen de inkoopkosten bij algemene ziekenhuizen veel sterker toe dan bij academische ziekenhuizen. In 2007 stegen deze kosten bij algemene ziekenhuizen met 22%, terwijl de kostenstijging bij academische ziekenhuizen op 13% uitkwam.

Ziekenhuisbudget
Omdat de uitgaven aan dure geneesmiddelen niet volledig via de beleidsregel worden gecompenseerd, moet een deel worden gefinancierd vanuit het reguliere budget van de ziekenhuizen. Als gevolg van de kostenstijging in 2007 moesten de ziekenhuizen € 10,4 miljoen meer aan dure geneesmiddelen uit hun reguliere budget financieren dan in 2006, waarmee het totaal op € 59,7 miljoen uitkwam.
Daarmee zijn deze budgettaire lasten hoger dan in 2005 toen de beleidsregel nog geen uniform vergoedingspercentage kende. Deze lasten kunnen tussen de afzonderlijke ziekenhuizen sterk verschillen. In 2007 liep het aandeel van de kosten van dure geneesmiddelen in het ziekenhuisbudget per ziekenhuis uiteen van 0,8 tot 5,2%.

Immunomodulantia
Drie geneesmiddelen namen in 2007 ruim de helft van de totale kosten van dure geneesmiddelen voor hun rekening. Het gaat om infliximab (Remicade) met € 69,4 miljoen, trastuzumab (Herceptin) met € 59,3 miljoen en rituximab (Mabthera) met € 42,6 miljoen. Alle drie de geneesmiddelen horen tot de groep immunomodulantia.
Bevacizumab (Avastin) kende in 2007 binnen de geneesmiddelen van de regeling dure geneesmiddelen de sterkste uitgaventoename. De uitgaven aan dit middel namen in 2007 toe met € 15,9 miljoen tot € 27,8 miljoen. Ook dit geneesmiddel behoort tot de groep immunomodulantia, die verantwoordelijk is voor vrijwel de gehele kostenstijging binnen de dure geneesmiddelen. De toename van de uitgaven aan deze middelen is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de acht nieuwe (sub) indicaties die in de loop der jaren voor deze geneesmiddelen aan de beleidsregel zijn toegevoegd.

Weesgeneesmiddelen
De kosten ten laste van de Beleidsregel weesgeneesmiddelen bedroegen in 2007 € 37,3 miljoen. Een jaar eerder kwamen deze kosten nog uit op € 8,6 miljoen. Het grootste deel van de toename wordt veroorzaakt door één geneesmiddel: alglucosidase alfa (Myozyme). Het overige deel van de kostenstijging kan worden verklaard doordat meer geneesmiddelen in deze beleidsregel zijn opgenomen.
Alleen academische ziekenhuizen kunnen een beroep doen op deze beleidsregel.
[Stichting Farmaceutische Kengetallen]

Tweederde van de Amerikanen te dik

Super hamburgerTweederde van de Amerikanen kampt met overgewicht, blijkt uit een jaarlijkse studie van twee organisaties in de VS. In 23 Amerikaanse staten is het aantal zwaarlijvige inwoners vorig jaar gestegen, in de andere staten bleef hun aantal gelijk.

Mississippi heeft voor het vijfde jaar op rij de meeste dikke mensen. In het rapport wordt niet alleen gewaarschuwd voor gezondheidseffecten, maar ook voor de torenhoge ziektekosten.

Obesitas kan leiden tot suikerziekte, kanker en hartproblemen. De onderzoekers zeggen dat snel een campagne nodig is om meer zwaarlijvigheid te voorkomen.

Veiligheid insuline-analogen van Novo Nordisk

Diabetologia, het vaktijdschrift van de European Association for the Study of Diabetes (EASD), heeft op vrijdag 26 juni online gegevens gepubliceerd uit vier onderzoeken waarin een mogelijke relatie wordt gelegd tussen het langwerkende insuline-analoog glargine, en kanker1. In het begeleidende redactionele commentaar wordt de mogelijke relatie gebaseerd op het gegeven dat bepaalde insuline-analogen door hun structuur mogelijk makkelijker een binding aangaan met de IGF-1 receptor waarvan bekend is dat deze een rol speelt bij tumorgroei2.

Novo Nordisk heeft drie insuline-analogen: Levemir® (insuline detemir), een langwerkende insuline-analoog, NovoRapid® (insuline aspart), een kortwerkende insuline-analoog en NovoMix® (biphasische insuline aspart). Om onnodige speculatie te voorkomen over een relatie tussen de insuline-analogen van Novo Nordisk en een verhoogde kans op kanker, wil Novo Nordisk het volgende meedelen:

  • Alle insuline-analogen van Novo Nordisk zijn in de afgelopen 20 jaar al in de vroege onderzoeksfasen onderzocht op binding met de IGF-1 receptor. Alleen insulines met een bindingsratio tussen insuline en IGF-1 receptoren vergelijkbaar met of beter dan humane insuline, zijn verder doorontwikkeld3.
  • Onderzoeken naar receptorbinding en celgroei tonen aan dat insuline aspart (de insuline-analoog die aanwezig is in NovoRapid® en NovoMix®) een in vitro veiligheidsprofiel heeft dat identiek is aan dat van humane insuline3,4.
  • Onderzoeken naar receptorbinding hebben aangetoond dat Levemir® (ook op unit basis) ten opzichte van humane insuline een relatieve affiniteit heeft voor de IGF-1 receptor, die gelijk is aan of iets lager is dan voor de insuline receptor4,5. Levemir® onderscheidt zich van insuline glargine, waarvan is aangetoond dat het in vergelijking met humane insuline een verhoogde affiniteit heeft voor de IGF-1 receptor4,5,6.
  • Alle insuline-analogen van Novo Nordisk die op de markt zijn, zijn onderzocht in een groot aantal gerandomiseerde onderzoeken met controlegroepen, in observationele studies en worden verder gemonitored op veiligheidsaspecten door omvangrijke post-marketing veiligheidsprogramma’s. Novo Nordisk heeft voor geen van de drie insuline-analogen enige aanwijzing gekregen over een mogelijke relatie met kanker.
  • In de afgelopen 20 jaar heeft Novo Nordisk insuline-analogen ontwikkeld om de kans op een succesvolle behandeling voor mensen met diabetes te vergroten. Uitgebreid klinisch onderzoek heeft aangetoond dat Levemir®, NovoRapid® en NovoMix® voor een groot aantal mensen met diabetes klinische voordelen opleveren in vergelijking met humane insuline.

Over insuline en IGF-1 receptoren
Insuline kan een binding aangaan met twee verschillende receptoren: insuline receptoren en IGF-1 (insulin like growth factor-1) receptoren. De eerste veroorzaakt een daling van de bloedglucosespiegel terwijl de laatste met name leidt tot celproliferatie. Insuline gaat een veel sterkere binding aan (meer dan 500-voud) met de insulinereceptor dan met de IGF-1 receptor. Als het bindingsprofiel door aanpassingen in het insulinemolecuul ongunstig verandert, dan kan de insuline-analoog het risico op celproliferatie via de IGF-1 receptor verhogen.

CBG beoordeelt mogelijk risico op kanker bij gebruik insuline glargine

LantusHet wetenschappelijke comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP) van het Europese bureau voor geneesmiddelenbeoordeling (EMEA), waarin het CBG is vertegenwoordigd, laat weten op de hoogte zijn van 4 recent gepubliceerde onderzoeken naar de relatie tussen insuline glargine (Lantus) en kanker.

De resultaten zijn niet consistent. Twee van de vier onderzoeken suggereren een verhoogd risico op borstkanker. Uit de beide andere onderzoeken blijkt dit niet.

Vooralsnog kan de associatie noch bevestigd noch uitgesloten worden. De CHMP en het CBG zullen de beschikbare data eerst grondig analyseren. Insuline glargine (Lantus) is geregistreerd voor de behandeling van volwassenen, adolescenten en kinderen vanaf 6 jaar met diabetes mellitus, waarbij behandeling met insuline vereist is.

Patiënten wordt aanbevolen hun behandeling met Lantus voort te zetten en bij twijfel over hun medicatie hun arts (specialist) of apotheker te raadplegen.
[CBG-MEB]

Eerste geval van resistent griepvirus A (H1N1)

Mexicaanse griepIn Denemarken is een influenzavirus A (H1N1) gevonden dat resistent is tegen het antivirale middel oseltamivir. Het virus werd aangetroffen bij een patiënt die ondanks preventieve behandeling na vijf dagen toch griepklachten kreeg. De patiënt is inmiddels hersteld.

Ontwikkeling van resistentie van influenzavirussen tegen oseltamivir is vaker beschreven. Influenzavirussen met een resistente mutatie kenmerkten zich in het verleden door minder goede verspreiding van mens op mens. De afgelopen jaren is al eerder een virus opgedoken dat resistent is voor oseltamivir. Dat is een ‘gewoon’ griepvirus van het subtype H1N1 en dit virus kan zich net zo goed verspreiden als het niet-resistente virus.

In Nederland worden alle influenzavirussen van patiënten met de nieuwe griepvariant onderzocht op mutaties. Tot nu toe is er in Nederland geen virus gevonden met resistentie tegen oseltamivir. Het RIVM blijft dit goed in de gaten te houden.
Als oseltamivir niet meer werkt, zijn er weinig andere mogelijkheden om mensen met ernstige klachten te behandelen. Het is daarom van het grootste belang om verspreiding van resistente virussen te voorkomen. Dit kan door het algemene advies te volgen om met griep thuis te blijven, te hoesten in een (papieren) zakdoek of in de elleboog, en vaak handen te wassen.