
.

.
Apathie is het meest voorkomende gedragsprobleem bij Alzheimerpatiënten. Apathie ofwel lusteloosheid uit zich door verlies aan interesse, minder ontplooien van intiatieven en emotionele afvlakking. Onderzoek van het Alzheimer Centrum Limburg heeft nu handvatten opgeleverd om op zoek te gaan naar mogelijke medicijnen tegen dit verschijnsel, dat zowel voor de patiënt als voor zijn naasten erg belastend is.
Dat heeft de Hersenstichting Nederland, opdrachtgever van het onderzoek, dinsdag bekendgemaakt. De onderzoekers hebben met een speciale apathiemethode aangetoond dat met name de kenmerkende emotionele afvlakking gepaard gaat met het verlies aan hersencellen. Omdat de apathie in alle stadia van de ziekte voorkomt, en bovendien ook veelvoorkomend is bij andere hersenaandoeningen als Parkinson, pleiten de onderzoekers ervoor om lusteloosheid als een apart syndroom te gaan benaderen.
In Nederland zijn er ongeveer 250.000 dementiepatiënten. Twee derde van hen heeft Alzheimer. De patiënt trekt zich in het ziekteproces steeds verder terug, wordt onverschilliger en besteedt steeds minder aandacht aan zijn verzorging. Deze symptomen hebben volgens de Hersenstichting eveneens te maken met de lusteloosheid.
Overgewicht is dodelijker dan voorheen werd gedacht, aldus de Belgische krant Het Laatste Nieuws. Wetenschappers hebben ontdekt dat te dikke mensen bijna 2 keer zoveel risico lopen te sterven aan een hartaanval.
Een onderzoek bij circa 1 miljoen vaders en hun zonen toonde aan dat overgewicht het risico om te sterven aan een cardiovasculaire ziekte verhoogt met 82%. Dat is hoger dan tot nu toe werd gedacht.
De onderzoekers bestudeerden de Body Mass Index (BMI) van kinderen en legden het verband met de doodsoorzaak van de ouders. Zij gebruikten deze ‘nieuwe’ wijze van onderzoek om te voorkomen dat bepaalde ziekten die gewichtsverlies kunnen veroorzaken, zoals kanker, doen lijken dat dunne mensen een groter risico lopen om te sterven.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij longkanker. Het is de kanker waar patiënten aan sterven en niet aan het feit dat ze te weinig bewegen.
Onderzoek naar hielprik stelt huidige criteria ter discussie
De mening van ouders moet een veel grotere rol gaan spelen bij de criteria voor de hielprik bij pasgeboren baby’s. Uit onderzoek van VU medisch centrum blijkt dat een overtuigende meerderheid van ouders het ook wil weten indien hun kind een onbehandelbare ziekte heeft. Vooral om een lange medisch zoektocht te voorkomen. Op dit moment bepaalt de overheid dat alleen op behandelbare ziektes gescreend wordt door middel van de hielprik. Het onderzoek werd uitgevoerd door Anne Marie Plass en is 21 december verschenen in het internationale wetenschappelijke tijdschrift ‘Pediatrics’.
In de huidige hielprik bij pasgeboren baby’s zijn 17 ‘behandelbare’ aandoeningen opgenomen. Door snelle technische ontwikkelingen is het echter mogelijk om veel meer ziektes en aandoeningen op te sporen via het hielprikbloed. Deskundigen en beleidsmakers adviseren de overheid of een aandoening in het hielprikprogramma opgenomen moet worden. De mate waarin ernstige gezondheidsschade bij het kind kan worden voorkomen door vroege opsporing is daarbij doorslaggevend. In deze beslissing speelt de mening van (aanstaande) ouders niet of nauwelijks een rol. Ouders blijken echter ook over mogelijke onbehandelbare aandoeningen in hun kind, die al in de kindertijd tot uiting komen, informatie te willen krijgen. De reden die zij aangeven is dat zij een lange medische zoektocht naar de aandoening van hun kind willen voorkomen. De onderzoekster pleit naar aanleiding van het onderzoek voor herformulering van de criteria voor screening.
Het onderzoek werd uitgevoerd onder bezoekers van de website van de ‘9-maanden beurs’ van de RAI in 2007. 1631 (aanstaande) ouders vulden de vragenlijst in over het opnemen van testen voor onbehandelbare aandoeningen, die al vroeg in de kindertijd tot uiting komen. Als voorbeeld van een dergelijke aandoening werd Duchenne Spierdystrofie genoemd. Dit is een ongeneeslijke spierziekte die al rond het eerste levensjaar van het kind tot de eerste symptomen leidt. De overgrote meerderheid (>70%) van de ouders die de internetvragenlijst invulden, wilde dat ook testen voor dergelijke aandoeningen opgenomen worden in de hielprik. Ouders die al kinderen hadden waren nog positiever dan ouders die nog geen kinderen hadden op het moment dat zij de vragenlijst invulden.
[VUmc - pediatrics.org]
Nieuwe Europese studie laat zien waarom Nederlandse vrouwen het gevecht tegen overgewicht tot nu toe verliezen
Ondanks ontelbare pogingen verliezen Nederlandse vrouwen de strijd tegen overgewicht omdat zij crashdiëten volgen. De mislukte dieetpogingen maken dat deze vrouwen in een vicieuze cirkel terechtkomen van motivatieverlies, troost eten en afhankelijkheid van voedsel. Dit blijkt uit een nieuwe Europese studie onder 12.410 vrouwen.
Een “nieuw” jaar nodigt uit tot een frisse start. 86% van de Nederlandse vrouwen die kampen met overgewicht, starten met diëten gedurende de eerste 3 maanden van het jaar.
Gewicht verliezen is iets wat zeer veel van mensen bezighoudt, al kunnen de beweegredenen en gebruikte methoden erg verschillend zijn. Een nieuwe Europese studie uitgevoerd in opdracht van GlaxoSmithKline Consumer Healthcare, producent van alli, het door de EU goedgekeurde geneesmiddel voor hulp bij gewichtsverlies, toont schokkende resultaten. Deze studie, waaraan ook 2570 Nederlandse vrouwen deelnamen, waarvan 1599 vrouwen met een BMI van 25 kg/m2 of meer, toont aan dat maar liefst 71% van de vrouwen met overgewicht in de voorbije twee jaar minimaal tweemaal een dieet hebben gevolgd. 16% van hen is zelfs voortdurend op dieet.
Vicieuze cirkel houdt vrouwen dik
Veel Nederlandse vrouwen proberen snel resultaat te boeken door het volgen van intensieve korte diëten (46%) en het gebruik van maaltijdvervangers (34%). Maar zonder succes laat de studie zien. 71% van de vrouwen die korte crashdiëten volgt, faalt. Hetzelfde geldt voor maaltijdvervangers (66%).
Het is verbazingwekkend dat veel vrouwen met overgewicht voor korte termijn wonderdiëten kiezen. Experts roepen al jaren dat deze methoden leiden tot gewichtsverlies op korte termijn, maar dat de kilo’s er uiteindelijk weer aankomen. Er is gewoonweg geen snelle manier om een blijvend gewichtsverlies te bereiken.
Door het grote aantal tevergeefse pogingen, verliezen 2 van de 3 vrouwen met overgewicht hun motivatie om af te vallen. Dus zoeken zij hun heil in troost eten (50%) en ontwikkelen afhankelijkheid van voedsel (22%).
Motivatie
In 88% van de gevallen, starten deze vrouwen met een dieet om zich beter te voelen. 89% van hen doet dat om er beter uit te zien. Het voorkomen van andere aandoeningen zoals diabetes, hartziekten of depressie, zet 61% van de ondervraagde vrouwen aan om gewicht te verliezen. Deze cijfers fluctueren naargelang de leeftijd van de ondervraagde personen. Dames jonger dan 30 hechten meer belang aan ‘er goed uitzien’ en maken zich toch minder zorgen met betrekking tot hun gezondheid. Bij 50plussers speelt ‘er goed uitzien’ een minder belangrijke rol dan gezondheidsproblemen voorkomen.
Het alli-programma
Crashdiëten en kant-en-klare oplossingen werken zelden op lange termijn. alli streeft naar verstandig, geleidelijk gewichtsverlies – ongeveer 0,5 kg per week is ideaal. Met het alli programma leer je een actieve levenstijl en gezonde eetgewoontes aan te nemen die je kunt volhouden. alli beloont het harde werken van mensen die een dieet met een verminderde calorie-inname en verlaagd vetgehalte willen volgen. Het voorkomt dat een gedeelte van het vet uit je voedsel in het lichaam wordt geabsorbeerd. Voor elke 2 kilo die je verliest met een dieet, kan alli helpen om 1 extra kilo af te vallen. alli dient gebruikt te worden in combinatie met evenwichtige voeding en lichaamsbeweging.
Ter ondersteuning van je gewichtsverlies, ontvang je als alli gebruiker een gratis alli programma boekje in de apotheek. Dit boekje bevat ondermeer alli informatie, lekkere recepten en een voedingsdagboek. Consumenten hebben ook toegang tot een online ondersteuningsprogramma (www.alli.nl):
[Persbericht GlaxoSmithKline]
Te weinig vrouwen in Nederland doen mee aan het landelijk bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker (het uitstrijkje). Dat concluderen onderzoekers van het VU medisch centrum in Amsterdam en de Stichting Palga, een landelijk archief waarin alle pathologie-uitslagen in Nederland zijn opgeslagen.
Bij circa één op de drie vrouwen bij wie baarmoederhalskanker is vastgesteld, blijkt te lang geleden of zelfs helemaal geen uitstrijkje te zijn gemaakt. De Amsterdamse patholoog dr. F.J. van Kemenade en internist M.K. Casparie stellen dit in een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.
Zij spreken hun zorg uit over het aantal vrouwen met baarmoederhalskanker, die in de vijf jaar voor de diagnose geen uitstrijkje heeft laten maken. Daarvoor kunnen heel uiteenlopende redenen zijn: van ‘vergeten’ tot en met niet durven of het niet nodig vinden. Daardoor krijgen voorstadia van kanker de kans zich te ontwikkelen, met alle gevolgen van dien. “De effectiviteit van dit bevolkingsonderzoek kan nog groter worden als de opkomst verbetert”, zeggen de onderzoekers in hun artikel.
Opvallend is dat juist de groep vrouwen met een verhoogd risico op baarmoederhalskanker minder geneigd is deel te nemen aan dit bevolkingsonderzoek. Van de vrouwen bij wie wel een uitstrijkje was gemaakt had 72 procent gehoor gegeven aan de oproep van de huisarts. Bij 28 procent was er een andere aanleiding om een uitstrijkje te laten maken.
Vrouwen van 30 tot 60 jaar worden elke vijf jaar uitgenodigd om een uitstrijkje te laten maken. Momenteel overlijden in Nederland jaarlijks meer dan 200 vrouwen aan baarmoederhalskanker. Baarmoederhalskanker is een virale vorm van kanker. Erfelijkheid speelt geen rol bij het ontstaan van deze kankersoort. Het Humaan Papilloma Virus (HPV) is één van de belangrijkste veroorzakers van baarmoederhalskanker. HPV is seksueel overdraagbaar, bijna iedereen die seksueel actief is loopt een besmetting op.
Standpunt KWF Kankerbestrijding
Baarmoederhalskanker is – door het maken van een uitstrijkje – eenvoudig vroegtijdig op te sporen is. Vroege ontdekking van afwijkende cellen is erg belangrijk. De voorstadia van baarmoederhalskanker kunnen over het algemeen bijna altijd succesvol worden behandeld. Daardoor is de kans op overleving zeer groot. Deelname aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker is dus belangrijk!
De helft van de Nederlanders, overwegend mannen, laat zich zelden sturen bij het nemen van belangrijke beslissingen. Dit is steeds beter zichtbaar bij de keuze voor een zorgverzekering. Consumenten willen vaker zelf de zorgverzekering samenstellen in plaats van te kiezen uit kant-en-klaar pakketten. Dit blijkt onderzoek van FBTO onder ruim 3000 respondenten.
Hoe beïnvloedbaar zijn Nederlanders bij de keuze van zorgverzekeraar:
Bijna de helft laat een overstap afhangen van internetvergelijkingen. Een op de tien, in het bijzonder mensen van 35 jaar en ouder, laat dit afhangen van het contract dat zijn werkgever voor hem heeft gesloten. Een even zo groot percentage, vooral mensen tussen de 18 en 35, laat een switch afhangen van dat wat familie en vrienden vertellen. Nog eens tien procent baseert een overstap op basis van de informatie van de eigen zorgverzekeraar.
Hoe beïnvloedbaar is de dekking van een zorgverzekering:
Bijna driekwart van de Nederlanders tussen de 25 en 34 jaar vindt het meest belangrijk dat een zorgverzekering datgene dekt wat hij of zij nodig heeft. Iets meer dan de helft zegt de prijs per maand belangrijk te vinden. Veertig procent zegt gewoon niet te willen nadenken of iets wel of niet is gedekt op de polis. Service en gemak zijn voor één op de drie een belangrijk onderwerp.
Lekker vrij leven
Bob Stehmann Manager Marketing & Verkoop FBTO : `Hoe iemand wil leven, weet hij of zij zelf het best. Wij vinden dat de klant zelf goed kan bepalen wat hij of zij belangrijk vindt. Die vrijheid staat bij ons centraal.’ Naast de basisverzekering biedt FBTO keuzevrijheid in de aanvullende verzekeringen. Consumenten hebben de mogelijkheid om uit negen modules duizenden verschillende combinaties samen te stellen. `Voordeel hiervan is dat consumenten alleen die aanvulling kiezen die zij echt nodig hebben’, aldus Stehmann. FBTO biedt klanten verder de mogelijkheid om online te kunnen declareren en inzage te hebben in zijn of haar zorgconsumptie.
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het roken van één sigaret gemiddeld 28 minuten van iemands leven kost. Om rokers hiervan bewust te maken èn met het oog op de goede voornemens in het nieuwe jaar, is een anti-rook campagne gestart. De campagne is een initiatief van Fight Cancer, Stivoro en stichting Coryfeeën.
De wetenschappers baseren zich op een homogene groep van Britse artsen die geboren zijn tussen 1920 en 1929. De artsen begonnen met roken op hun 18e en rookten gemiddeld 18 sigaretten per dag. Op 60 jarige leeftijd stierven er drie keer zoveel rokers vergeleken met eenzelfde groep artsen die niet rookten. De niet-rokers werden gemiddeld 15 jaar ouder. Omgerekend kost dit verlies van 15 levensjaren iemand 28 minuten van zijn of haar leven per sigaret.
Campagne `28 minuten`
Rokers kunnen op de campagne website www.28minuten.nl uitrekenen hoeveel levensjaren ze gemiddeld cadeau krijgen, wanneer ze stoppen met roken per 1 januari. In deze persoonlijke berekening wordt leeftijd en aantal sigaretten per dag meegenomen. Ook wordt berekend hoeveel geld iemand daarmee bespaart. Via Twitter, Hyves en Facebook kunnen rokers eenvoudig vrienden uitnodigen om ook hun persoonlijke berekening te maken voor hun toegenomen gemiddelde levensverwachting. Samen stoppen met roken is makkelijker dan alleen, het uitnodigen van vrienden via social networks biedt steun.
Gemiddeld 28 minuten
Natuurlijk zijn er ook mensen die een pakje per dag rookten en 87 jaar zijn geworden. Het uitgerekende verlies aan leven van 28 minuten, is dan ook een gemiddelde. Het onderzoek is uitgevoerd en gepubliceerd door prof. Dr. Helmut Gohlke en Dr. Salim Yusuf. Het is te downloaden op www.28minuten.nl. In het onderzoek is niet alleen het risico op kanker meegenomen, maar ook andere aan roken gerelateerde ziekten zoals hart- en vaatziekten.
Het aantal mensen dat via Independer.nl is overgestapt naar een andere zorgverzekering ligt op dit moment zo’n 44% hoger dan vorig jaar. Ook het aantal bezoeken aan de vergelijkingsite ligt dit jaar fors hoger: bijna 1 miljoen (2009) ten opzichte van 330.000 (2008).
De stijging van het aantal overstappers past in het beeld dat de afgelopen maanden ook door andere organisaties is geschetst. Ook de Consumentenbond en andere vergelijkingsites zien dit jaar een toegenomen belangstelling voor zorgverzekeringen. De afgelopen drie jaar is de interesse en het aantal overstappers sterk gedaald van 19% in 2006 naar zo’n 3 tot 4% de afgelopen twee jaar. Deze trend wordt dit jaar duidelijk doorbroken. Independer.nl verwacht dat dit jaar meer dan 5% van alle zorgverzekerden overstapt van zorgverzekeraar.
[Independer.nl]
Het vorig jaar opgerichte speekselklier expertisecentrum van het Erasmus MC draait op volle toeren. Inmiddels zijn ruim honderd patiënten behandeld voor aandoeningen van de speekselklieren. Deze aandoeningen omvatten onder andere goedaardige en kwaadaardige gezwellen, chronische ontstekingen en speekselklierstenen. “Door intensieve samenwerking van verschillende disciplines kunnen wij patiënten snel helpen”, zegt specialist dr. Aniel Sewnaik van de afdeling Keel-, Neus- en Oorheelkunde (KNO) van het Erasmus MC. “Bovendien kunnen we het aantal operaties voor deze aandoeningen sterk verminderen.”
Het speekselklier expertisecentrum Erasmus MC is opgericht in 2008. Het betreft een multidisciplinaire samenwerking tussen keel-, neus- en oorheelkunde, hoofd-halschirurgie en kaakchirurgie. Met de zo bereikte optimale deskundigheid op het gebied van speekselklieraandoeningen kunnen patiënten sneller en adequater worden geholpen. Deze aandoeningen omvatten onder andere goedaardige en kwaadaardige gezwellen, (chronische) ontstekingen en speekselklierstenen.
Op het gebied van speekselklierstenen en speekselklierontstekingen wordt een voor Nederland uniek pakket aan technieken voor diagnostiek en behandeling toegepast. Zo kunnen er CT-scans worden gemaakt van de speekselklieren, waarbij de speekselkliergangen met behulp van een contrastvloeistof in beeld worden gebracht, met als doel vernauwingen of blokkades te vinden. Met behulp van zeer dunne endoscopen worden de afvoergang van de speekselklier en de speekselklier van binnen bekeken. Sewnaik: “Daarnaast hebben we in het centrum de beschikking over twee behandelingsvormen. Met deze nieuwe technieken kan het aantal operaties voor deze aandoeningen sterk verminderd worden. Therapeutische sialo-endoscopie, waarmee we zeer kleine chirurgische instrumenten gebruiken om onder zicht aandoeningen te verhelpen. Verder beschikt het speekselkliercentrum over een speekselkliersteenvergruizer. Met dit apparaat kunnen stenen in de speekselklier pijnloos vergruisd worden zodat ze makkelijk door de klier zelf afgevoerd kunnen worden. Een groot deel van de patiënten is na een of meerdere poliklinische behandeling klachtenvrij.”
[Erasmus MC]
Ondergeschoven vorm van dementie voor het eerst goed in kaart gebracht
Vasculaire dementie is na de ziekte van Alzheimer de meest voorkomende vorm van dementie. Toch is er over vasculaire dementie weinig bekend. Naar aanleiding van haar promotieonderzoek pleit Salka Staekenborg voor het formuleren van nieuwe criteria voor diagnose van deze ziekte. Staekenborg promoveert op 23 december aan VU medisch centrum op dit onderwerp.
Al heel lang is bekend dat vasculaire dementie gerelateerd is aan beschadiging van de bloedvaten in de hersenen, maar daarnaast spelen ook neurologische afwijkingen een rol. Staekenborg onderzocht de schade aan de bloedvaten in de hersenen rechtstreeks door middel van MRI. Verder onderzocht zij de relatie tussen schade en bloedvaten en neurologische symptomen als geheugenverlies en gedragsverandering. Uit het onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de patiënten vooral schade heeft aan kleine bloedvaten. Lang is gedacht dat vooral de schade aan de grote bloedvaten het belangrijkste probleem was. Het beoordelen van de schade van bloedvaten in de hersenen door middel van MRI levert een veel directere diagnose op dan het meten van neurologische symptomen.
Delen uit het onderzoek van Staekenborg zijn eerder gepubliceerd in het internationale wetenschappelijke tijdschrift ‘Stroke’. Staekenborg voerde haar onderzoek uit bij het Alzheimercentrum VUmc.
Over het Alzheimercentrum VUmc
Het Alzheimercentrum VU medisch centrum is één van de vier Alzheimercentra in Nederland. De speerpunten van het onderzoek van het Alzheimercentrum VUmc zijn vroegdiagnostiek, dementie op jonge leeftijd en nieuwe therapievormen. De ambitie van het Alzheimercentrum VUmc is om uit te groeien tot het leidende centrum op het gebied van dementie op jonge leeftijd. Het Innovatiefonds Zorgverzekeraars en het bedrijfsleven leveren financiële ondersteuning aan de ambities van het Alzheimercentrum. Het Alzheimercentrum VUmc staan onder leiding van prof.dr. Philip Scheltens.
[VUmc]
De epidemie van de Mexicaanse griep (AH1N1) lijkt voorbij. De laatste weken nam het aantal mensen met griep al af en afgelopen week daalde dit voor het eerst weer onder de 51 per 100.000 inwoners.
Van een griepepidemie is sprake wanneer meer dan 51 op de 100.000 inwoners kampen met griepachtige verschijnselen. In week 51 rapporteerden de huisartsen van de CMR-Peilstations van het NIVEL nog 44 op de 100.000 inwoners met griepachtige verschijnselen. In de 13 door de huisartsen ingestuurde en onderzochte neus- en keelmonsters van patiënten met griepachtige verschijnselen is in week 51 2 maal (15%) de nieuwe influenzavariant AH1N1 (Mexicaanse griep) aangetroffen. Het virus is dus nog niet helemaal het land uit, maar er is geen sprake meer van een epidemie. In totaal is het virus vanaf half juli 347 maal aangetroffen bij patiënten in de peilstations. Ook in de ons omringende landen, zoals België, Engeland en Duitsland neemt de griepepidemie af.
Milde epidemie
De afgelopen weken waren iets meer mensen ziek van de griep dan begin dit jaar en de afgelopen griepseizoenen. Maar op de piek van de epidemie van de Mexicaanse griep waren er nog steeds veel minder mensen ziek dan tijdens de griepepidemieën in de winters van 2004-2005 en 1999-2000. NIVEL-onderzoeker epidemioloog en huisarts Gé Donker: “De Mexicaanse griep is gelukkig een milde epidemie gebleven. De epidemie duurde tien weken, wat ook gebruikelijk is voor de wintergriep. Opvallend blijft dat vooral minder ouderen ziek geworden zijn van de griep. Wel hadden zij relatief wat meer risico op complicaties.”
Studies naar de kosten en effecten van landelijke preventieprogramma’s zoals vaccinatiecampagnes, kunnen sterk worden verbeterd door andere rekenmodellen te hanteren. Dat schrijft promovendus Robin de Vries in zijn proefschrift. De gezondseconoom, die begin januari promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft de betrouwbaarheid van de resultaten verkregen met diverse soorten modellen op een rij gezet.
De druk op de budgetten in de gezondheidszorg is groot en neemt alleen maar verder toe. Dat betekent dat de beslissing over de besteding van het beschikbare geld niet alleen belangrijker, maar ook ingewikkelder wordt. De ‘gezondheidseconomie’ is de wetenschap die zich bezig houdt met deze keuzes. De ‘farmaco-economie’ is dat gedeelte binnen deze wetenschap dat zich uitsluitend richt op geneesmiddelen.
Mede door de budgetdruk is de voorbije jaren de vraag naar dergelijke farmaco-economische evaluaties sterk gestegen. De uitkomsten van deze studies worden (internationaal) ook steeds vaker meegenomen in de besluitvorming over implementatie, vergoeding of opname in richtlijnen. In Nederland is het vanaf 2005 bijvoorbeeld een vereiste voor een fabrikant om een gedegen farmaco-economische analyse voor te leggen om een geneesmiddel voor plaatsing op lijst 1B van het geneesmiddelenvergoedingensysteem (GVS) in aanmerking te laten komen. Robin de Vries heeft in zijn proefschrift Health-economics of interventions aimed at infectious diseases: dynamic modeling inevitable for reliable medical decision making verschillende typen modellen voor het schatten van de kosteneffectiviteit van medische interventies gericht op infectieziekten tegen het licht gehouden. Het gaat hierbij om onder meer de introductie van nieuwe geneesmiddelen en vaccinatiecampagnes in het kader van landelijke preventieprogramma’s.
De Vries onderscheidt statische en dynamische modellen. De eerste zijn volgens de promovendus zeer geschikt voor veel kosteneffectiviteits-analyses. De Vries toont daarnaast aan dat deze statische modellen voor gezondheidseconomische evaluaties van vaccinatiecampagnes tegen infectieziekten echter nogal eens ongeschikt zijn. Dat komt door de overdraagbaarheid van de ziekte. Die maakt de gezondheidseconomische analyse een stuk ingewikkelder. De Vries: “Bij vaccinatie kunnen zogeheten herd-immunity-effecten optreden: vaccinatie kan indirect ervoor zorgen dat niet-ingeënte personen ook worden beschermd, waardoor de ziekte zich minder snel verspreidt .” Met dynamische modellen is de kosteneffectiviteit dan nauwkeuriger in beeld te brengen, benadrukt De Vries.
Juiste analyse
Bij het maken van een schatting van de kosteneffectiviteit van onder meer vaccinatiecampagnes wordt momenteel nogal eens gebruik gemaakt van statische modellen. Ook in Nederland is dat het geval. Dat kan ingrijpende consequenties hebben voor de beslissingen omtrent vergoeding of implementatie van interventies gericht op infectieziekten, stelt De Vries. “Die worden daardoor soms gebaseerd op een mogelijk onjuiste schatting van de kosteneffectiviteit”, verklaart hij. “Statische modellen zijn weliswaar aantrekkelijk vanwege hun rechttoe-rechtaan aanpak, maar soms is echter een meer complex dynamisch model onontkoombaar.”
De conclusies van zijn onderzoek zijn volgens De Vries van belang voor instanties die verantwoordelijk zijn voor beslissingen over vergoeding van geneesmiddelen, zoals het ministerie van Volksgezondheid, het College voor zorgverzekeringen (CVZ) en de Gezondheidsraad.
De Vries vindt dat de nationale richtlijn voor farmaco-economisch onderzoek moet worden aangepast. Hij heeft daarnaast een stappenplan opgesteld voor het kiezen van de juiste methode in elke situatie. De Vries: “Infectieziekten vragen vanwege de herd-immunity-effecten om een unieke aanpak. Om tot betrouwbare uitkomsten en uiteindelijk correcte beleidsvoering te komen, is het cruciaal dat deze ziekten dynamisch gemodelleerd worden.”
Mexicaanse griep
De Vries merkt op dat voorafgaand aan de recente vaccinatiecampagne tegen de verspreiding van de Mexicaanse griep geen kosteneffectiviteits-analyse is gemaakt. “De overheid moest snel handelen”, verklaart hij. “Bovendien spelen andere factoren, zoals de publieke opinie, de internationale situatie en een gevoel van ‘better safe than sorry’, een rol.” Desalniettemin is het volgens De Vries zinvol altijd een gezondheidseconomische analyse te doen: “Het geld kan maar één keer worden uitgegeven en het is van belang daarmee een zo groot mogelijke gezondheidswinst te behalen.”
[RUG]
De ernst van rigide en repetitief gedrag bij mensen met autisme is terug te zien in de hersenen. Promovenda Marieke Langen van het UMC Utrecht laat met geavanceerde imagingtechnieken zien dat hersenstructuren en hersenbanen veranderen. Ze wijst hiermee op het belang van een verstoorde ontwikkeling van hersennetwerken bij autisme. Langen promoveerde op 22 december.
Neurowetenschapper Marieke Langen van het UMC Utrecht vergeleek specifieke hersenbanen bij 29 kinderen met autisme van 7 tot 14 jaar met 40 gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Langen analyseerde de hersenbanen via twee geavanceerde MRI-technieken die de richting en de kwaliteit van witte stof zichtbaar maken (‘diffusion tensor imaging’ en ‘magnetic transfer imaging’). De witte stof van de hersenen bevat de verbindingsbanen tussen hersengebieden.
Bij kinderen met autisme blijkt de kwaliteit van de hersenbanen af te nemen met de leeftijd, bij de controlegroep gebeurt dat niet. Het gaat om hersenbanen die diep gelegen hersenkernen verbinden met de hersenschors en een rol spelen bij de planning, selectie en remming van gedrag.
Daarnaast blijkt bij de kinderen met autisme de kwaliteit van de onderzochte hersenbaan samen te hangen met de ernst van rigide en repetitief gedrag dat de kinderen vertonen. Het suggereert dat een verband bestaat tussen de hersenbaan en het afwijkende gedrag. Het is voor het eerst dat zo’n verband gelegd wordt.
Rituelen
Repetitief en rigide gedrag bij autisme wil zeggen dat mensen erg van slag kunnen raken door kleine veranderingen in hun planning of omgeving. Dat kan een kerstboom in de kamer zijn of een televisieprogramma dat niet doorgaat. Verder hebben ze veel behoefte aan structuur en rituelen, bijvoorbeeld elke dag tot op de minuut op dezelfde tijd moeten tandenpoetsen, of kleren in een vaste volgorde moeten aantrekken. Deze hang naar rituelen gaat samen met een sterke neiging tot het herhalen van handelingen, zoals eindeloos een knikker laten vallen, spullen of speelgoed op een rij zetten, of bewegingen met de vingers maken.
In een vervolgonderzoek laat Langen zien dat ook bij volwassenen met autisme de specifieke hersenbanen veranderd zijn. Met dezelfde MRI-technieken analyseerde ze de hersenen van gezonde volwassenen en mensen met autisme. Deze resultaten geven het belang aan van het hersennetwerk dat Langen bestudeerde en benadrukken dat autisme een ontwikkelingsstoornis is.
Onderbelicht
“Repetitief gedrag is een onderbelicht symptoom van autisme”, vindt Langen. “Ik denk dat het meer aandacht verdient omdat het een goede biologische maat is voor een ingewikkelde hersenaandoening. Het is makkelijker na te bootsen in diermodellen. Bovendien kunnen wij het met moderne MRI-technieken zichtbaar maken in de hersenen.”
Marieke Langen promoveerde op 22 december aan het UMC Utrecht. Prof. em. Herman van Engeland van de divisie Hersenen van het UMC Utrecht begeleidde haar onderzoek.
[UMC Utrecht]
Bijna 1.700 apothekers hebben inmiddels een contract gesloten met de zorgverzekeraars van Achmea. Verzekerden kunnen daardoor, zonder dat zij zelf voorschieten, ook vanaf 1 januari 2010 hun medicijnen krijgen. De zorglabels van Achmea (waaronder Zilveren Kruis Achmea, Groene Land Achmea, Interpolis, Avéro Achmea en FBTO) en Agis introduceren per 1 januari 2010 twee nieuwe contracten voor apothekers. Kernpunten van de contracten zijn beloning voor kwaliteit van de apotheker en lage medicijnprijzen.
“Wij zijn zeer tevreden met het resultaat van de inspanningen van de apothekers. De contracten leveren een belangrijke bijdrage aan het beperken van de stijging van de zorgkosten in de komende jaren en het verhogen van de kwaliteit”, aldus Melanie Schultz van Haegen, directeur Zorginkoop Achmea. “Nog nooit hadden wij op dit moment in het jaar zo een hoog percentage gecontracteerde apotheken.”
“Ook Agis Zorgverzekeringen is blij met de hoeveelheid contracten. Hiermee kunnen we samen met de apothekers de kwaliteit van de zorg nog verder verbeteren”, aldus Michiel Alkemade, directeur Zorginkoop van Agis Zorgverzekeringen.
Kwaliteit van zorg
In het farmaciebeleid zijn extra kwaliteitseisen geïntroduceerd, die (ongeacht de keuze voor contractsvorm) leiden tot verbetering van zorg. Zo doet de apotheker bijvoorbeeld onderzoek naar klantervaringen en zet de apotheker zich in om klanten te informeren over het medicijngebruik, bijwerkingen en medicijncombinaties. Daarnaast zorgt de tweejarige contractduur voor stabiliteit op de markt.
De enkele apothekers die op 1 januari nog geen contract hebben getekend, kunnen de kosten van de medicijnen vooralsnog gewoon elektronisch declareren. Op die manier kunnen verzekerden hun medicijnen blijven ophalen zonder ze voor te schieten.
[Achmea]