Archief November 2008

Al vroeg bij Alzheimer stoornissen in bloeddruk en hersendoorbloeding

30 November 2008

HersenenDe hersenen zijn afhankelijk van voldoende bloedtoevoer. Er zijn echter allerlei zaken die de hersendoorbloeding bedreigen. Te denken valt aan de soms forse bloeddrukdalingen die kunnen optreden bij het staan of na het eten, maar ook aan het langdurig verhoogd zijn van de bloeddruk (hypertensie).

Met het ouder worden komen deze verstoringen van de bloeddruk, en daarmee van de hersendoorbloeding, vaker én in hevigere mate voor. Uit recente gegevens blijkt dat dit, naast het bekende risico op een herseninfarct, mogelijk ook een verhoogd risico geeft op het ontstaan van dementie.

Jurgen Claassen deed onderzoek naar de samenhang tussen bloeddruk en hersendoorbloeding. Hierbij werden nieuwe technieken toegepast, die ook voor oudere, meer kwetsbare patiënten goed te verdragen zijn. Zo is bijvoorbeeld bij patiënten met de ziekte van Alzheimer aangetoond dat er al vroeg in de ziekte stoornissen zijn in bloeddruk en hersendoorbloeding.

Verband tussen uiterlijk en autisme

30 November 2008

De aanwezigheid van meerdere kleine lichamelijke afwijkingen en het optreden van autisme gaan vaak samen. Tot die conclusie komt psychiater in opleiding Heval Ozgen van het UMC Utrecht na een meta-analyse van zeven onderzoeken waarin de eigenschappen van 330 patiënten en 328 gezonde controles verwerkt zijn. Ozgen promoveert op 28 november, haar resultaten zijn in juli gepubliceerd in het tijdschrift Molecular Psychiatry.

Een niet helemaal rechte pink. Tenen die iets te ver uit elkaar staan. Vergroeide oorlobjes. Een hoger verhemelte. Ogen die iets verder uit elkaar staan. Subtiele lichamelijke afwijkingen zonder medische betekenis die geen cosmetische ingrepen rechtvaardigen. Maar in de eerste meta-analyse op dit gebied laat Heval Ozgen zien dat bij patiënten met autisme deze afwijkingen vaker voorkomen dan bij gezonde controles. Het voorkomen van één of enkele van deze afwijkingen zegt niks, maar vanaf een ophoping van vier of meer bestaat een sterk verband met autisme. Ozgen analyseerde zeven onderzoeken uit de periode 1975-2005. Het verband tussen deze afwijkingen en schizofrenie is al langer bekend. Ook komt steeds meer bewijs voor een overlap tussen schizofrenie en autisme.

Lees verder bij het UMC Utrecht

ParkinsonNet groeit sterk

30 November 2008

ParkinsonNetIn enkele jaren is ParkinsonNet uitgegroeid tot een organisatie die een groot deel van Nederland bestrijkt en waarbij 41 regionale netwerken zijn aangesloten. ParkinsonNet bestaat uit een serie regionale netwerken van zorgverleners, die gespecialiseerd zijn in het behandelen van mensen met de ziekte van Parkinson.
Op 29 november houdt ParkinsonNet zijn jaarsymposium in congrescentrum Papendal. Het symposium wordt geopend door minister Ab Klink van VWS. Hij krijgt twee nieuwe Parkinson behandelrichtlijnen uitgereikt, namelijk voor logopedie en voor ergotherapie.

ParkinsonNet is een initiatief van het UMC St Radboud en de Werkgroep Bewegingsstoornissen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. In 2006 is het uitgeroepen tot beste zorginnovatie van Nederland. Ook internationaal is er veel aandacht voor deze aanpak.

Elk regionaal netwerk dat deel uitmaakt van ParkinsonNet, bestaat uit één of meer neurologen, Parkinson verpleegkundigen, fysiotherapeuten, oefentherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten. Optimale zorg is mogelijk omdat alle deelnemers gespecialiseerd zijn in het behandelen van de ziekte van Parkinson. Dankzij gerichte doorverwijzing trekken zij bovendien grote aantallen patiënten aan, waardoor de expertise verder toeneemt. De zorg is ook efficiënt, omdat alle deelnemers hun behandelingen onderling goed afstemmen. De tevredenheid van de patiënten over het netwerk is groot.

Recent heeft het Parkinson Centrum Nijmegen van het UMC St Radboud twee nieuwe, belangrijke behandelrichtlijnen ontwikkeld, één voor logopedie en één voor ergotherapie bij de ziekte van Parkinson. De logopedierichtlijn heeft tot doel om de spraakstoornissen en de slikproblemen beter onder controle te krijgen. Deze spraak- en slikproblemen komen vaak voor bij Parkinson patiënten en zijn erg invaliderend. De ergotherapierichtlijn is gericht op het behouden of verbeteren van alledaagse activiteiten die voor de patiënt belangrijk zijn, bijvoorbeeld in de woonomgeving of op het werk. De nieuwe richtlijnen worden tijdens het jaarcongres van het ParkinsonNet aangeboden aan minister Klink. Een uniek aspect van ParkinsonNet is dat de richtlijnen meteen in de praktijk kunnen worden toegepast.

Viagra op dopinglijst?

30 November 2008

ViagraHet Wereldantidopingagentschap WADA zoekt uit of viagra wellicht prestatiebevorderend is voor topsporters. Als dat inderdaad zo is, dan wordt het middel toegevoegd aan de lijst van verboden middelen.

Volgens WADA-directeur John Fahey volgt het onderzoek op geruchten en worden de resultaten eind februari 2009 verwacht. Afhankelijk daarvan kan viagra op zijn vroegst vanaf september 2009 op de lijst worden gezet.

Zout eten voor dikke mensen gevaarlijker dan voor slanke mensen

29 November 2008

Zout - PeperVeel zout eten vergroot de kans op hoge bloeddruk en hart- en vaatziektes. Maar hoe kan dat eigenlijk? Er is op dit vlak nog maar weinig onderzoek verricht – vooral omdat de totale zouthoeveelheid van het lichaam moeilijk te meten is.

UMCG-promovendus Folkert Visser ontwikkelde een methode om de totale zouthoeveelheid vast te stellen. Daarbij wordt niet het zoutgehalte zelf gemeten, maar de vloeistof waarin zout in het lichaam is opgelost: het extracellulair volume. Met behulp van de methode kan nader onderzoek worden gedaan naar de precieze invloed van het eten van veel zout.

Een opmerkelijke ontdekking van Visser is dat het eten van zout voor dikke mensen ernstiger gevolgen heeft dan voor slanke mensen. Bij een gelijke verhoging van het zoutgebruik stijgen de hoeveelheid zout in het lichaam en het extracellulair volume bij dikke mensen meer dan bij slanke mensen. Dit komt doordat dikke mensen meer vocht vasthouden. Al langer was bekend dat dikke mensen een hogere kans lopen op hart- en vaatziektes wanneer hun zoutgebruik toeneemt. Het onderzoek van Visser lijkt dit mechanisme te verklaren.

Folkert Visser promoveert op 8 december aan het UMCG.

Veel chlamydia-infecties bij jongeren

28 November 2008

CondoomVan alle jongeren tot twintig jaar heeft 6,3 procent een chlamydia-infectie. Dat blijkt uit een groot onderzoek van de GGDen in Rotterdam, Amsterdam en Zuid-Limburg en Soa Aids Nederland onder 8500 seksueel actieve jongeren tussen de 16 en 29 jaar.

Chlamydia is de meest voorkomende soa onder jongeren. Het venijnige is dat de ziekte zich in het beginstadium niet herkenbaar manifesteert met opvallende symptomen. In een later stadium kan chlamydia echter lelijke infecties veroorzaken.

De gezondheidsinstellingen hebben 57.000 jongeren uitgenodigd om deel te nemen aan de grootscheepse chlamydiatest. Van hen hebben elfduizend een testpakket aangevraagd. Vier op de vijf jongeren stuurden ook een urinemonster terug.

Insulinepomptherapie voor kinderen met diabetes

27 November 2008

KinderdiabetesDiabetes bij kinderen heeft grote invloed op hun dagelijks leven. Om goed te kunnen functioneren hebben ze insuline nodig. Insuline kan ingespoten worden met een insulinepen of via een insulinepomp. Om te weten hoeveel insuline nodig is, is het noodzakelijk om regelmatig de hoeveelheid glucose in het bloed te meten. Dankzij de insulinepomptherapie kan de kwaliteit van leven aanzienlijk verbeterd worden.

De insulinepomp is een klein apparaat dat onder de kleding wordt gedragen. Via de pomp wordt dan continu kortwerkende insuline toegediend. Dat gebeurt met een infusieslang en een kort naaldje (meestal zachte kunststof), dat in de buik, been of bil geprikt wordt en circa drie dagen kan blijven zitten. Net als bij een goedwerkende alvleesklier wordt dag en nacht insuline afgegeven. Deze hoeveelheid insuline is precies afgestemd op de basale behoefte van het lichaam.

Indicaties en voordelen insulinepomp Indicaties om van de reguliere injectietherapie van vier maal per dag over te stappen op de insulinepomp zijn onder andere:

  • sterk schommelende, moeilijk te reguleren bloedsuikers;
  • prikangst;
  • vermindering van eventuele complicaties bij diabetes;
  • te hoge of te lage bloedsuikers;
  • het verbeteren van de kwaliteit van leven;
  • of een combinatie van deze factoren.

Een voordeel is bovendien dat niet voor elke insulinegift geprikt hoeft te worden maar dat een druk op de knop van de pomp voldoende is om de benodigde insuline te krijgen. Juist bij kleine kinderen en pubers biedt de pomp uitkomst. Bovendien heeft de pomp een afstandsbediening, die door de ouders, de oppas en de leerkrachten op afstand kan worden bediend.

Multidisciplinaire begeleiding
Begeleiding van kind en ouders is in handen van een multidisciplinair team, bestaande uit kinderartsen, een kinderdiabetes consulente, diëtisten en een kinderpsychologe. De kinderdiabetes consulente bezoekt zo nodig ook scholen in de regio om de kennis en het begrip voor diabeteskinderen te vergroten. In de toekomst worden deze activiteiten uitgebreid.
[De Tjongerschans]

Gratis hiv-test bij OLVG in Amsterdam

27 November 2008

CondoomOnder het motto “HIV-risico of niet, iedereen zou zich moeten laten testen” biedt het OLVG een gratis HIV-sneltest aan. Vier op de tien mensen in Nederland die met HIV geïnfecteerd zijn, weten dit niet van zichzelf. Om te voorkomen dat HIV je (ernstig) ziek maakt, of dat het virus wordt overgedragen op andere personen, is het belangrijk om een test te doen, en daarmee je HIV-status te kennen. Want hoe eerder je wordt behandeld, hoe beter de prognose.

Dhr. prof. dr. K. Brinkman, internist in het OLVG: ”Als de behandeling te laat wordt ingezet, kunnen ernstige ziekteverschijnselen ontstaan. In de Verenigde Staten wordt iedereen tussen 15 en 65 jaar geadviseerd om elke vijf jaar een HIV-test te laten doen, ook wanneer zich geen klachten openbaren. Iedereen kan HIV krijgen, ook mensen die denken weinig risico te lopen”.

De HIV-sneltest in het OLVG wordt discreet en anoniem afgenomen en de testuitslag is binnen 15 minuten bekend. Bij de test is ook een aidsconsulent aanwezig voor het verstrekken van informatie en verlenen van psychosociale hulp. Via telefoonnummer (020) 599 36 78 kan een (anonieme) afspraak voor de sneltest bij het OLVG worden gemaakt.

Het OLVG is het eerste ziekenhuis in Nederland dat een gratis HIV-sneltest op deze manier aanbiedt. Een HIV-test moet normaal gesproken via de huisarts of GGD worden aangevraagd. Een HIV-test is onder meer aan te raden als je onveilige seks met een (vaste) sekspartner wil hebben (of hebt gehad), wanneer je zwanger wil worden, als je met bloed van een ander in aanraking bent gekomen of als je je om welke reden dan ook zorgen maakt of je met HIV besmet bent.

Het OLVG biedt de sneltest aan in het kader van Wereld Aidsdag, de dag waarop uitgebreid wordt stilgestaan bij de gevolgen en ontwikkelingen van de wereldwijde HIV-epidemie.
[OLVG]

Kwart hart- en vaatziekten is te voorkomen

27 November 2008

HartEen kwart van de hart- en vaatziekten in Nederland kan worden voorkomen als mensen gezonder eten. Voldoende bewegen leidt tot 15% minder hartkwalen. Verandering van leefstijl is effectief, ook bij hartpatiënten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat is uitgevoerd in samenwerking met de Nederlandse Hartstichting. Een integrale aanpak van de risico’s is essentieel in de preventie. Deze boodschap stond vandaag centraal tijdens het congres ‘Lang Leven Hart en Vaten!’.

In Nederland overlijden dagelijks 113 mensen aan de gevolgen van hart- en vaatziekten. Daarmee zijn hart- en vaatziekten doodsoorzaak nummer één. “Een deel van de Nederlanders krijgt één vaatziekte: een fatale. Verandering van leefstijl is de enige manier om dit te voorkomen”, aldus Michiel Bots, arts-epidemioloog van het UMC Utrecht. Maar juist ook bij mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten en hartpatiënten zijn een uitgebreid leefstijladvies, gevolgd door goede begeleiding van belang.

Preventie en behandeling richt zich op de verschillende risicofactoren zoals een verhoogd cholesterol, hoge bloeddruk, roken, overgewicht en diabetes. Deze factoren komen vaak in combinatie voor. Om verandering van leefstijl te bereiken is intensieve samenwerking nodig tussen de verschillende gezondheidsprofessionals zoals de huisarts, diëtist en verpleegkundige. De betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid van de patiënt is hierbij essentieel.

Het congres Lang Leven Hart en Vaten! is georganiseerd door de Nederlandse Hartstichting, met als doel: de aandacht vestigen op het belang van een integrale aanpak bij de preventie van hart- en vaatziekten. Ruim zevenhonderd huisartsen, praktijkondersteuners, diëtisten en verpleegkundigen bezochten het congres.
[Hartstichting]

Nederlanders bang voor verkoudheid

26 November 2008

Kinderen zijn volgens 31 procent van de Nederlanders de grootste veroorzakers van verkoudheid. Daarna denken ze vooral te worden aangestoken door collega’s (20 procent) en hun partner (12 procent).

Dat blijkt uit het Vicks Nationaal Verkoudheidsonderzoek 2008, dat TNS NIPO onder ruim 500 respondenten uitvoerde. Op het moment van het onderzoek waren 37 procent van de Nederlanders en 29 procent van de Belgen verkouden.

Geveld
Eenmaal geveld door een verkoudheid, slikken vrouwen meer vitaminen, eten meer fruit en gaan vroeger naar bed. Zieke mannen doen vaker niets. Ook houdt een derde van de mannen geen rekening met de omgeving als ze verkouden zijn.

Ergernissen
Mensen storen zich als ze verkouden zijn het meest aan een loop- of verstopte neus. Verder storen mensen zich aan keelpijn. Ook zieken die hun hand niet voor de mond houden en hun neus ophalen zijn een bron van ergernis.

Virus
Een virus is volgens 65 procent van de Nederlanders en 56 procent van de Belgen de oorzaak van een verkoudheid. Volgens Nederlanders overleeft dit virus 7 uur op de handen, de Belgen denken 8 uur. Maar een verkoudheidsvirus kan in werkelijkheid tot maar liefst 72 uur overleven. En bij het niezen verspreiden zich 40.000 druppels met een snelheid van 150 km/uur binnen een straal van 2-3 meter.

Herfstbaby krijgt vaker kinderastma

26 November 2008

Baby - slapenZijn kinderen vier maanden voor de piek van het griep- en verkoudheidsseizoen geboren? Dan hebben ze meer risico op het ontwikkelen van kinderastma. Amerikaanse onderzoekers concluderen dit na het bestuderen van medische rapporten, aldus Gezondheidsnet.

Loopt een baby de luchtwegaandoening bronchiolitis op, dan heeft het later sowieso meer kans op kinderastma. Met name genetische factoren spelen hierbij een rol.

Bij het bestuderen van 95.000 rapporten van kinderen en hun moeders in Tennessee, ontdekten onderzoekers ook een link met het herfstseizoen. Dit valt op het noordelijk halfrond vier maanden voor het griepseizoen.

Volgens de wetenschappers van het centrum voor Astmaonderzoek aan de Vanderbilt University in Tennessee hadden de herfstkindjes 30 procent meer kans op het ontwikkelen van kinderastma. Zij denken dat naast de genetische aanleg ook blootstelling aan winterse virussen astma kan veroorzaken.

Het is volgens de onderzoekers nog iets te vroeg om de geboorte van je baby te gaan plannen. Elk jaar valt het griepseizoen in een andere periode. En de onderzoekers willen eerst meer bewijs vinden voor deze herfsttheorie.

Patiënt met kanker onthoudt weinig uit eerste gesprek met arts

26 November 2008

Patiënten met kanker onthouden lang niet alles uit een eerste gesprek met de oncoloog of radioloog. Dat ligt niet alleen aan de leeftijd. Hoe meer de arts praat over de prognose en hoe meer informatie hij geeft, hoe minder de patiënten onthouden, zo blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL, de Symfora Groep en de universiteiten van Amsterdam, Utrecht en Sydney in het Journal of Clinical Oncology.

Consultduur
Hoeveel informatie patiënten met kanker onthouden uit een eerste gesprek met de radioloog of oncoloog neemt af naarmate patiënten ouder worden. En als de consulten langer duren en er meer informatie wordt gegeven, hebben patiënten meer moeite met het onthouden van informatie. Daarbij wordt de herinnering sterk beïnvloed door de prognose en de tijd die hier in het gesprek aan wordt besteed.

Goede of slechte prognose
Patiënten met een slechtere prognose kunnen zich minder van het gehele gesprek herinneren dan patiënten met een betere prognose. Opvallender is nog, dat hoe meer er gesproken wordt over de prognose, ongeacht of deze goed of slecht is, hoe minder patiënten zich kunnen herinneren van de rest van het gesprek. Dit geldt zowel voor jongere als voor oudere patiënten.

Apart gesprek
NIVEL-onderzoeker Jesse Jansen: “Dit betekent dat artsen en verpleegkundigen zich bewust moeten zijn van de impact van het praten over de prognose voor de patiënt, zelfs als de prognose goed is. En dat ze in de gaten moeten houden of andere belangrijke informatie nog wel overkomt. Belangrijke beslissingen, bijvoorbeeld over de behandeling, kunnen beter worden besproken in een apart gesprek, dan in het gesprek waarin de vooruitzichten van de patiënt en de prognose uitgebreid worden besproken.”

Consult op tape
Bij het onderzoek waren 260 Australische patiënten met verschillende vormen van kanker betrokken. De onderzoekers legden hen vragenlijsten voor over hun behoefte aan informatie. Bovendien werd de patiënten in gestructureerde telefonische interviews gevraagd naar details die de specialist had gegeven over diagnose, prognose en behandeling. Wat de patiënten zich uit de consulten herinnerden werd vergeleken met wat er op audio-opnamen van de consulten te horen was.
[NIVEL]

Patiënten werken mee aan behandeling overgewicht

26 November 2008

OvergewichtVier nieuwe partners sluiten zich op 27 november 2008 aan bij het Partnerschap Overgewicht Nederland (PON). Ze vertegenwoordigen patiënten, apothekers, verpleegkundigen en praktijkondersteuners bij het PON. Met hen kan het PON een zorgstandaard voor overgewicht en obesitas ontwikkelen, waarin aandacht is voor de visie van zowel zorgverleners als patiënten. De nieuwe partners zijn de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, de Nederlandse Obesitas Vereniging, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland. Het totale aantal partners van het PON komt hiermee op zeventien.

Hoezo een zorgstandaard?
Een zorgstandaard beschrijft waaruit goede zorg, in dit geval voor overgewicht en obesitas, bestaat. Ook is zo’n standaard een eerste stap op weg naar toereikende financiering voor de beschreven zorg. Voor de zorgstandaard overgewicht en obesitas, die het PON in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontwikkelt, is de uitbreiding met nieuwe partners essentieel. Zorgstandaarden worden namelijk ontwikkeld door zorgverleners en patiënten gezamenlijk. Binnen het PON bespreken zij de noodzakelijke onderdelen van de zorg op basis van wetenschappelijk onderzoek, inzichten uit de praktijk van zorgverleners en het patiëntenperspectief. Eind 2010 wordt de zorgstandaard voor overgewicht en obesitas opgeleverd.

Overgewicht en obesitas: een groot probleem
Ongeveer de helft van alle Nederlandse volwassenen heeft overgewicht of obesitas. Van de kinderen kampt één op de zeven met een te hoog gewicht. Hoe hoger het gewicht, hoe groter het gezondheidsrisico voor zowel volwassenen als kinderen. Het betreft een verhoogd risico op tal van aandoeningen, zoals type 2 diabetes, hart- en vaatziekten en psychosociale problemen. Ook leidt het tot verhoging van de kosten van de gezondheidszorg en tot verminderde arbeidsproductiviteit. Het voorkómen en tegengaan van overgewicht en obesitas levert een grote bijdrage aan het beperken van de belangrijkste volksgezondheidsproblemen in Nederland.

CBO-richtlijn
Onderdeel van de zorgstandaard is een praktische uitwerking van de CBO-richtlijn “Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen”. Deze multidisciplinaire richtlijn is in 2007 in concept verschenen. Het eerste gedrukte exemplaar van de definitieve geautoriseerde versie wordt op 27 november aangeboden aan de voorzitter van de Nederlandse Obesitas Vereniging. Daarna is de richtlijn online vrij beschikbaar via www.cbo.nl. De richtlijn stelt dat gecombineerde leefstijlinterventies altijd de basis zijn van de behandeling van obesitas omdat deze, naast een gunstig effect op het lichaamsgewicht, ook het risicoprofiel verbeteren voor hart- en vaatziekten, type 2-diabetes mellitus en verschillende vormen van kanker. Leefstijlinterventies dragen ook bij aan het verlichten van klachten en aandoeningen van de luchtwegen (bijvoorbeeld astma, slaapapneu en kortademigheid bij inspanning), het bewegingsapparaat (bijvoorbeeld artrose en chronische lage rugpijn) en hormonale stoornissen, zoals verminderde vruchtbaarheid.
De komst van deze CBO-richtlijn is een grote stap voorwaarts in de verbetering van de zorg voor mensen met overgewicht en obesitas. De richtlijn is een richtsnoer voor de dagelijkse praktijk van diagnostiek en behandeling van obesitas en is er om de gezondheidstoestand en de kwaliteit van leven van patiënten met obesitas te verbeteren.

De zeventien partners van het PON zijn:

  • ActiZ, organisatie van zorgondernemers
  • Artsenvereniging Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)
  • GGD Nederland
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP)
  • Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV)
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)
  • Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)
  • Nederlandsche Internisten Vereeniging (NIV)
  • Nederlandse Obesitas Vereniging (NOV)
  • Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF)
  • Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD)
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB)
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN;)
  • Zorgverzekeraars Nederland (ZN)

    Meer informatie
    Meer informatie over het Partnerschap Overgewicht Nederland en haar partners vindt u op de website: www.partnerschapovergewicht.nl. Daar vindt u ook de deze week door het PON uitgebrachte publicatie “Partnerschap Overgewicht Nederland: Ketenzorg voor overgewicht en obesitas. Uitgangspunten en positionering ten opzichte van andere ontwikkelingen in de publieke en curatieve zorg”.

  • Verkeerde leefstijl zorgt voor slechte prognose van depressieve hartpatiënten

    26 November 2008

    HartPatiënten met hartziekte en daarnaast een depressie, roken vaker, bewegen minder en nemen hun medicijnen voor de hartziekte minder vaak dan hartpatiënten zonder depressie. Het resultaat is een verhoogde kans op hersenbloedingen, hartinfarcten, hartfalen en overlijden. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een grootschalige Amerikaanse studie onder patiënten met hartziekte die vijf jaar zijn gevolgd, de ‘Heart and Soul study’. De onderzoekers – waaronder Peter de Jonge, hoogleraar psychiatrische epidemiologie van het UMCG – publiceren hierover deze week in de ‘Journal of the American Medical Association’.

    Het is a langer bekend dat patiënten met hartziekte die ook depressief zijn, een slechtere prognose hebben dan patiënten zonder depressie. De behandeling van deze mensen met antidepressiva of met psychotherapie heeft echter geen verbetering van de prognose opgeleverd, zoals recent ook De Jonge en anderen rapporteerden.

    “Deze nieuwe bevindingen geven aanknopingspunten voor hoe deze mensen in de toekomst moeten worden behandeld, namelijk door ze beter voor zichzelf te laten zorgen – te stoppen met roken, meer te bewegen en zich beter aan de behandeladviezen te houden. Wellicht kunnen we op deze manier wel bewerkstelligen wat met antidepressiva en psychotherapie niet is gelukt – een betere prognose van depressieve hartpatiënten”, aldus De Jonge.
    [UMCG]

    Depressie en eenzaamheid bij internetverslaafden

    25 November 2008

    ComputerUit onderzoek van het wetenschappelijk bureau IVO onder ruim 4.500 jongeren blijkt dat internetverslaafden eenzamer zijn, meer depressieve klachten hebben en minder zelfvertrouwen hebben. Tevens blijkt dat ruim dertienduizend Nederlandse jongeren van 13 tot 14 jaar verslaafd zijn aan het internet. Het totale percentage internetverslaafde jongeren blijft wel dalen. In 2006 ging 4,2 procent van de jongeren dwangmatig om met het internet, nu is dat nog maar 3,2 procent.

    Gemiddeld zijn jongeren van 13 of 14 jaar zo’n veertien uur per week online. Ze gebruiken het internet vooral als communicatiemiddel. Vooral e-mailprogramma’s, MSN en netwerksites zijn populair. Nagenoeg alle ondervraagde jongeren hebben thuis toegang tot het internet en maken er dagelijks gebruik van.

    Hoewel dwangmatig internetgebruik betrekking kan hebben op verschillende toepassingen van het internet, blijkt een duidelijke relatie met het spelen van online games. 5,4 procent van de jonge spelers zou dwangmatig gamen. Zij besteden bijna veertig uur per week aan een online game.

    Ook blijkt dat online gamen voor veruit de meeste spelers geen negatieve psychologische gevolgen heeft. Met jongeren die dagelijks gamen, maar dat niet dwangmatig doen, gaat het psychosociaal beter dan hun leeftijdsgenoten.